Speciaal peuteronderwijs sorteert weinig effect

| Redactie

Speciale educatieve programma's voor peuters helpen nauwelijks. Twee- tot vierjarigen die zo'n programma hebben gevolgd, zijn niet beter in taal en rekenen dan hun leeftijdgenootjes die naar een gewone peuterspeelzaal gaan. Sterker nog, hun vaardigheden op dit gebied zijn zelfs minder. Dat concludeert hoogleraar onderwijskunde Peter Sleegers.

Hoogleraar onderwijskunde Peter Sleegers. Foto: Gijs van Ouwerkerk
Hoogleraar onderwijskunde Peter Sleegers. Foto: Gijs van Ouwerkerk

Sinds 1 oktober is Peter Sleegers hoogleraar onderwijskunde aan de faculteit Gedragswetenschappen van de UT. Daarvoor had hij deze functie in Nijmegen en Amsterdam. Het onderzoek naar de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) deed hij nog voor het SCO-Kohnstamm Instituut, een onderzoekscentrum van de Universiteit van Amsterdam. Samen met statisticus Erik van Schooten vergeleek hij de prestaties van peuters in Oosterhout die een VVE-programma volgden met peuterspeelzaalleerlingen in Den Bosch die geen VVE-programma hadden. `We hebben op drie momenten testen afgenomen bij de peuters en de leidsters gevraagd naar hun bevindingen: vooraf, halverwege en aan het einde van het schooljaar. Daarbij hebben we gekeken naar de taal- en telvaardigheid en de sociaal-emotionele ontwikkeling', legt Sleegers uit.

Zijn belangrijkste conclusie is dat de aanpak in Oosterhout weinig effect heeft. Er zijn geen verschillen tussen peuters uit instellingen van beide gemeenten in de groei in woordkennis of taalvaardigheid. Ook hun werkhouding, emotionele stabiliteit en ander gedrag zijn vergelijkbaar. `Voor- en vroegschoolse programma's doen er niet toe en hebben zelfs negatieve effecten. Kinderen die wel zo'n programma kregen, hadden geen grotere woordenschat dan wanneer dat niet werd gebruikt. Ook als de leidsters extra scholing hebben gevolgd, leidt dat niet tot betere praktijken.'

Sleegers wil graag achterhalen hoe dat komt. `Er zijn nog zo veel vragen, bijvoorbeeld over het gedrag en de ervarenheid van de peuterleidsters en de groepssamenstelling. Om goed te kunnen vergelijken, zou je eigenlijk ook in een grote stad als Amsterdam of Rotterdam moeten kijken. Daarnaast zou ik graag willen weten of er ook verschillen zijn met peuters die niet naar de peuterspeelzaal gaan of VVE volgen, maar thuis blijven', vertelt hij.

Maar het eerste wat de onderwijskundige wil onderzoeken is het effect van voor- en vroegschoolse educatie op de lange termijn. Hij probeert subsidie te krijgen om te bestuderen of er een goede aansluiting van die stimuleringsprogramma's is van de peuterspeelzaal naar het basisonderwijs. `Je kunt je afvragen of we daar niet te veel van verwachten. Je moet er wel over nadenken hoe je kinderen met een achterstand waarvoor deze programma's bedoeld zijn zo vroeg mogelijk kunt helpen, maar de vraag is op welke manier.'

Voor de komende jaren heeft de hoogleraar nog genoeg onderzoeksideeën, waarmee hij op de UT aan de slag kan. `Ik heb voor Twente gekozen, omdat hier meer studenten onderwijskunde zijn en de opleiding wat breder is dan in Amsterdam. Bovendien zijn drie van de vier onderwijs- en onderzoeksprogramma's als zeer goed tot excellent beoordeeld en horen daarmee tot de beste van het land. Ik hoop die kwaliteit voort te zetten.'

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.