| Gastcollege van Jet Bussemaker. Foto: Gijs van Ouwerkerk |
Principiële meningsverschillen zijn een verschijnsel van alle tijden, maar in de gezondheidszorg is het aantal geschillen dat geslecht moet worden behoorlijk toegenomen de laatste decennia. De reden: de steeds sneller ontwikkelende medische techniek. Steeds meer wordt mogelijk en ook vaak geaccepteerd. Maar waar moet de overheid de grens trekken? Jet Bussemaker, sinds 2006 staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, lichtte een tipje van de sluier op hoe de overheid met dit soort problematiek omgaat. `Wij zijn er niet om individuele gevallen te beoordelen. Men vraagt mij wel eens: vindt u dat het aantal abortussen omlaag moet? Dat interesseert mij niet. Het gaat erom dat het beslissingsproces van ieder geval zorgvuldig verlopen is.'
En dat was de belangrijkste gedachte die Bussemaker uitdroeg. `De overheid moet kaders scheppen waarin de professionals met de patiënt kunnen zoeken naar de juiste uitkomst. Wij kunnen dat proces faciliteren door te zorgen voor training, financiën en richtlijnen. Drie waarden spelen daarin een belangrijke rol: autonomie, dat wil zeggen dat de persoon zelf de beslissing neemt, beschermwaardigheid van het menselijk leven en goede zorg. Maar vooral die beschermwaardigheid zorgt voor heftige discussies. Want wanneer `leeft' een baby? Bij de versmelting van zaad en eicel? Of als abortus door medicatie niet meer mogelijk is? Of als het kind volgens de wet levensvatbaar is, na ongeveer 24 weken? Maar dan ben je er nog niet. Medische ontwikkelingen rekken die periodes op of korten ze in. De ontwikkelingstijd die nodig is om een kind buiten de baarmoeder in leven te kunnen houden is nu volgens sommige onderzoekers 22 weken. Waar houdt het op?'
Als heet hangijzer gebruikte Bussemaker de affaire rond de embryoselectie van afgelopen zomer. `Met een commissie hadden we besloten borstkanker toe te voegen aan het lijstje waarvoor embryoselectie - waarbij je een embryo screent op ernstige erfelijke aandoeningen - toegestaan was. Maar toen ik een brief aan de Tweede Kamer had geschreven over de uitkomsten van ons onderzoek, bleek dat wat voor ons een kleine verandering leek door veel Kamerleden als een grote ethische verandering in de huidige wetgeving werd gezien. Dat leidde ertoe dat ik mijn voorstel terug heb moeten trekken op procedurele gronden, terwijl ik ervan overtuigd was dat ik zorgvuldig had gehandeld. Iedereen wist waar ik mee bezig was, wat ik gedaan had en hoe ik tot het besluit was gekomen. Maar dat was niet voldoende. Zo bleek maar weer, politiek komt niet zomaar voort uit een denkmodel, het hangt van toevalligheden aan elkaar.'