Topuniversiteiten als Harvard en Yale zullen niet in de rij staan om een vestiging in Nederland te beginnen zodra het masteronderwijs beter toegankelijk wordt voor nieuwe aanbieders.
Dat stelt de commissie-De Vijlder, die op verzoek van minister Plasterk heeft uitgezocht wat de beste manier is om er voor te zorgen dat er meer marktwerking komt in het Nederlandse hoger onderwijs.
Nu steeds meer bekostigde hogescholen en universiteiten zich op de commerciële onderwijsmarkt begeven, is het onderscheid met niet-bekostigde instellingen vager geworden. Een opener bestel lijkt volgens de commissie onontkoombaar. Zijn er meer onderwijsinstellingen die publiek gefinancierd moeten worden en zo ja, onder welke voorwaarden dan?
De commissie heeft vijf scenario’s ontwikkeld, waarvan dat voor een levenlang leren een nipte voorkeur krijgt. Als de minister het budget van publieke instellingen voor onderwijs aan werknemers en werkzoekenden schrapt, kan met het vrijgekomen geld de publiek-private samenwerking bij dit soort onderwijs worden bevorderd. Dat leidt tot een beter aanbod.
In het ‘next best’ scenario van de commissie vervalt de bekostiging van masteropleidingen, waardoor de collegegelden omhoog gaan. In ruil krijgen studenten een rugzakje met geld dat ze ook kunnen besteden bij een private onderwijsaanbieder. Dat levert weliswaar een opener bestel voor de masteropleiding op, maar tot een toestroom van topuniversiteiten zal het niet leiden.
Op de zogenoemde transnationale markt voor hoger onderwijs worden vooral bacheloropleidingen aangeboden waarin het bedrijfsleven geïnteresseerd is, zoals business administration en ict. Topuniversiteiten als Harvard, Yale, Oxford en Cambridge zullen hun masters niet snel op de Nederlandse markt aanbieden. Daarvoor zijn de afzetmogelijkheden hier te klein, de accreditatiekosten te hoog en het overheidsbeleid te onzeker.
De commissie adviseert de tot 2015 lopende experimenten met het open bestel voort te zetten en nader onderzoek te doen naar de effecten.
HOP, Hein Cuppen