De ChristenUnie bepleit een fonds voor studenten uit ontwikkelingslanden die in Nederland willen studeren. Want waarom zouden zij een hoger collegegeldtarief moeten betalen dan rijke Europeanen? “Het lijkt de omgekeerde wereld.”
De beleidsterreinen van ontwikkelingshulp en hoger onderwijs overlappen elkaar, vindt het Tweede Kamerlid Ed Anker van de ChristenUnie. Daarom zouden de ministers beter met elkaar moeten samenwerken, zei hij gisteren tijdens een overleg in de Tweede Kamer.
Zijn partij vindt het bijvoorbeeld jammer dat Nederland wel een fonds voor topstudenten heeft (het Huygens Scholarship Programme), maar geen speciaal fonds voor studenten uit ontwikkelingslanden. “Het zou echt bij ons passen om ook studenten hierheen te halen die het hard nodig hebben, uit landen die het hard nodig hebben.”
Hij vroeg minister Plasterk het voortouw te nemen en samen met zijn collega’s van het kabinet zo’n fonds op te richten. Want het huidige systeem van kennisbeurzen is “niet van de grond gekomen” en studenten uit arme landen kunnen het hoge collegegeldtarief voor niet-EER-studenten niet betalen.
Minister Plasterk noemde het voorstel sympathiek, maar zag er toch weinig in. Bijdragen aan het onderwijs in ontwikkelingslanden “is de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Ontwikkelingssamenwerking en het moet ook met zijn budget gebeuren.”
Maar zo’n fonds draagt ook bij aan de internationalisering van het hoger onderwijs, probeerde de ChristenUnie. En niemand kan toch tegen internationalisering zijn? Dat moest Plasterk erkennen, “maar ik wil wel staande houden dat je het met enige moeite kunt onderscheiden van ontwikkelingssamenwerking”.
HOP, Bas Belleman