| Dick Meijer. Foto: Gijs van Ouwerkerk |
| Herbert Wormeester. Foto: Gijs van Ouwerkerk |
De UT bestaat in 2011 vijftig jaar: het CvB denkt dat de UT rond die tijd klaar is voor de komende tien jaar en de strijd kan aanbinden met het buitenland. Vinden jullie dat ook en zo nee, wat moet er dan in korte tijd zoal verbeteren en veranderen?
Dick: `Ik verwacht dat het zittende college van bestuur zijn ambitie om te groeien naar tienduizend studenten niet zal hebben gehaald, PhD-studenten en de komst van het ITC niet meegerekend. De groei van internationale studenten met alleeen Duitse studenten is nu veel te smal. De UT kan alleen aantrekkelijk worden in het internationale veld als we externe partijen kunnen interesseren om veel meer beurzen ter beschikking te stellen.'
Herbert: `Iedere paar jaar (en soms vaker) hoor je wel een paar doelen voorbijkomen waarmee de UT zich gereed maakt voor de komende tien of twintig jaar. Weet iemand nog waar we moesten staan toen de UT in 2001 veertig jaar bestond? Het punt is dat bij al die plannen weinig aandacht besteed wordt aan de uitvoering, de consequenties en een evaluatie. Laat staan welke meetbare parameters er beschikbaar zijn. De strijd aanbinden met het buitenland was een term die ook rond 2000 veel genoemd werd. Maar wat hebben die initiatieven sindsdien opgeleverd en wat is het juiste instrumentarium? Ik herinner me het adagium dat als de prijs maar hoog is buitenlandse studenten vanzelf komen. Hoge prijs zou garant moeten staan voor kwaliteit. Nou, tot nu toe is eerder het tegenovergestelde geval, inclusief een beduidend kleinere toewijzing van het ministerie.'
Zou de UT wellicht meer moeten kiezen voor een gemiddeld hoger niveau van haar medewerkers dan alleen maar geld te steken in excellentie? En hoe dan?
Dick: `Ja, dat is een goed punt: dat wil het zittend personeel ook, zo blijkt uit tevredenheidsonderzoeken. Dus niet alleen tenure tracks voor buitenlandse carrièrejagers maar ook ontwikkeltrajecten op maat (bijvoorbeeld een UHD-traject of HL-traject) voor de verschillende categorieën wetenschappelijke personeel. Met aandacht voor het combineren van carrière en privé. Maar er moet niet alleen in het wetenschappelijk personeel geïnvesteerd worden, maar ook voor personeel in de ondersteunende functies.
Hetzelfde geldt voor studenten: we moeten vooral het gemiddelde omhoog zien te krijgen en niet alleen programma's maken voor excellente studenten omdat deze niet meer uitgedaagd worden door het middelmatige programma nu.'
Herbert: `Het streven naar excellentie is uitstekend. Met de aanstelling van de 3TU-hoogleraren (waar vijftig miljoen voor beschikbaar was, red.) bleek al dat dit niet eenvoudig is. Als je het gemiddelde weet op te schroeven ben je in staat om op een veel breder gebied goed actief te zijn zodat ook nieuwe dwarsverbanden ontstaan. Daarmee kan ook een positieve atmosfeer ontstaan. Dat willen de mensen. In vergelijking met veel andere universiteiten in de wereld heeft de UT een behoorlijke infrastructuur. Natuurlijk niet te vergelijken met Harvard (jaarbudget geloof ik 35 miljard dollar), maar zeker aantrekkelijk. Belangrijk is om dat uit te dragen door bijvoorbeeld een goed sabattical programma op te zetten. Dat brengt veel nieuwe ideeën en contacten binnen.'
De 3TU-federatie: wat heeft dat samenwerkingsverband ons eigenlijk opgeleverd en moet het anders? De TU's blijven toch gewoon elkaars rivalen? Hoe zou je bijvoorbeeld als UT moeten reageren op een ambitieus initiatief als het Europese technologie-instituut EIT waar veel geld te halen valt?
Dick: `Zoals de 3 TU's er als de kippen bij waren om het ministerie geld af te troggelen in het kader van de federatievorming, zo moet men nu gezamenlijk inzetten op een belangrijke rol in EIT en dan natuurlijk vooral in termen van fondsenwerving voor innovatieve programma's binnen de wetenschapsgebieden van de 3TU's. Dan kunnen ook de centers of competence hun bestaansrecht bewijzen.'
Herbert: `De UT kan het zich niet veroorloven om EIT te missen, dus ja. De meerwaarde van 3TU lijkt gering als je er van binnen uit tegen aankijkt, want wat is er veranderd? Het 3 TU-proces kwam wel op een belangrijk moment. De drie universiteiten hebben nu in ieder geval op papier gezet wat ze doen en waarin ze verschillen. Naar Den Haag toe is dat belangrijk. De federatie dient als voorbeeld. Dat is een winst die op een andere wijze moeilijk te behalen was geweest. Belangrijk is ook dat we hebben geinventariseerd hoe je van bachelor A naar master B kunt gaan. Zonder de federatie had dat binnen de UT ongetwijfeld veel langer geduurd om dat te regelen.'
Waarom lukt het maar niet om -binnen de UT- vrouwen op hoge(re) posities te krijgen?
Dick: `Het maatschappelijk bepaalde gebrek aan interesse bij vrouwen voor techniek is een belangrijke factor. Maar ook bij niet technische studies, met meer vrouwelijke studenten, stromen vrouwen minder door naar hogere functies. Dat heeft mijns inziens te maken met het beleid en het bestuur van de UT: vrouwen in wetenschappelijke functies merken dat je vooral goed moet zijn in onderzoek- en wel in het binnenhalen van extern bekostigde projecten-, terwijl zij zelf vaak ook veel waarde hechten aan kennisoverdracht en aan bijvoorbeeld medezeggenschap. Verder vinden ze een evenwichtige combinatie van carrière en gezin veelal belangrijker dan hun (mannelijke) collega's en chefs. Het college van bestuur noemt zo'n instelling gebrek aan ambitie.'
Herbert: `Tja, als ik dat zou weten zou ik meteen een landelijk adviesbureau starten. Het is een typisch Nederlands probleem. In andere Europese landen gaat het beter. Er is een vrouwenplatform binnen de UT dat dit probleem aansnijdt. In ieder geval zou je tijdens exitgesprekken met vrouwelijke aio's een aantal factoren kunt identificeren.'
Waar halen we de gewenste lef en het elan vandaan die de UT moeten opstuwen in de vaart der volkeren?
Dick: `Wij (en vooral de bestuurders) moeten ons realiseren dat topwetenschappers of topstudenten niet op afroep “maakbaar” zijn. Het gaat dus vooral om het bieden van faciliteiten en uitdagingen om tot ontwikkeling te komen. Dat gebeurt niet in de bestuurskamer maar in de werkkamer, het onderzoekslab en de collegezaal. Het streven naar optimale faciliteiten en een gemiddeld hoger niveau is de beste voedingsbodem voor het ontwikkelen van toptalent. Dus bestuurders, laat het primaire proces zoveel mogelijk met rust!'
Herbert: `Niet door het maar steeds te benoemen. Tevredenheidsonderzoek laat zien dat de identificatie met de UT en faculteit of dienst niet geweldig is. Als we elan verwachten zullen we vooral moeten investeren in de interne communicatie en het weer opbouwen van een UT-gevoel. Dat is wat we missen.'
Tenure tracks, ja of nee?
Dick: `Nee. Het maakt er de UT als werkgever niet aantrekkelijker op en het leidt bovendien tot een verslechtering van de rechtspositie van de universitaire docent.'
Herbert: `Het fenomeen heeft een hoog “me too”-gehalte gekregen en wordt door menigeen als de oplossing voor allerlei problemen gezien. Het positieve aspect is de gezonde aandacht voor carrièreperspectief. Maar dat kan ook prima binnen de huidige UFO-structuur. Het lijkt er op dat de tenure track een extra keurmiddel is. Het gaat om mensen die een promotietraject of een postdoc hebben doorlopen. Dan is er dus al een stuk trackrecord opgebouwd. Bij aanstellingen maakt de UT ook graag gebruik van een een proeftijd van twee jaar om de persoon te beoordelen, het bedrijfsleven moet het in drie maanden doen. In dat licht moet je veel eerder kunnen zeggen: we gaan ervoor. Dus niet nog een keer zes jaar willen kunnen beoordelen. Gebruik dus de huidige mogelijkheden. En wat als kandidaat niet slaagt? Er wordt vaak naar economie in Tilburg gewezen. Maar dat is precies een situatie waarin het mogelijk is, want het in Europees verband een zeer vooraanstaande groep. Red je het daar niet dan staan er nog allerlei andere mogelijkheden open. Dat geldt ook voor de VS. Slaag je niet in Stanford? Geen punt, het feit dat je daar geselecteerd bent om het te proberen opent vele andere deuren. Wat de UT betreft: die breedte zie ik niet.'
Iets anders, wat verwacht je van de nieuwe lijsten in de U-raad Chairman en PRO-UT?
Dick: `Chairman zal zijn enige programmapunt wel realiseren (Frits Lagendijk werpt zich op als de nieuwe raadsvoorzitter, red.), maar zal in de nieuwe raad toch ook inhoudelijk een visie van de raad tot stand moeten brengen. Pro-UT zal proberen zijn programmapunten (minder 3TU, beter promovendibeleid en nog iets) naar voren te brengen, maar die onderwerpen spelen momenteel nauwelijks in de U-raad. Van de weeromstuit zullen ze ad hoc en selectief wat bijdragen aan het UR-werk.'
Herbert: `Dat ze in ieder geval twee jaar invulling geven aan het UR-lidmaatschap. Goed dat er weer meer dan één fractie met medewerkers is.'
Hoe zie je de toekomst van de U-raad. Heeft die eigenlijk nog wel zin?
Dick: `Ja, maar je hebt wel een raad met ballen nodig, die weet dat hij alleen een vuist kan maken wanneer ze onderling een duidelijke lijn overeenkomen. Afstemming intern en met decentrale raden en bonden is voor het draagvlak van de raad erg belangrijk.'
Herbert: `Natuurlijk heeft het zin. Kijk maar naar zijn rol bij reorganisaties. Het is een link tussen bestuur en zeer verschillende medewerkers en studenten in de organisatie, waarbij het regelmatige gesprek niet vrijblijvend is. Een belangrijke functie is ook openbaarheid bij wezenlijke besluiten waar je als UT heen wilt of welke ingrepen je wilt nemen. Openbaarheid is de start om draagvlak te creëren, al was het alleen maar omdat je je standpunt goed moet onderbouwen.'
Hoe heb je je verblijf in de U-raad ervaren?
Dick: `Het UR-werk, dat ik nu meer dan tien jaar heb gedaan, is leuk vanwege het hele scala aan onderwerpen waarmee je in aanraking komt, vanwege alle mensen die je ontmoet binnen en buiten de UT en vanwege de steun die je van je achterban kan ervaren. De persoonlijke aanvallen en botsingen met sommige bestuurders heb ik altijd als complimenten geïnterpreteerd. Het hoort er nu eenmaal bij. Dan blijken die zogenaamde professionele bestuurders die boven de Balkenende-norm zitten toch vaak behoorlijke amateurs.'
Herbert: `Ik heb het nu zes jaar gedaan en daarvoor al een keer 4,5 jaar. Ik vind het dus leuk om te doen en stop er tijd in. Met periodes van deze omvang begin je wel zich herhalende cycli te zien. Minder leuk is dat je soms veel tijd kwijt bent met procedures, maar dat is deels de structuur waarin je werkt en deels de voortdurende scherpslijperij over bevoegdheden die het college van bestuur steeds weer weet op te rakelen. Minpunt is ook dat het onderwerp financiën en vastgoed door velen als erg specialistisch wordt ervaren, terwijl besluiten op dat terrein wezenlijke en verstrekkende gevolgen hebben. De korte voorbereidingstijd in een cyclus geeft ook maar weinig gelegenheid om alle ins en outs goed te bediscussiëren. Pluspunt is de prettige samenwerking met personeel en studenten van uit alle hoeken van de UT.'
Nog andere opmerkingen?
Dick: Nee, niet echt, ik ben gekozen met de leuze “ik zeg waar het op staat”. Ik heb van mijn hart dus nooit een moordkuil gemaakt, dus dan hoeft het afscheid ook geen bloedbad te worden. Nou eentje nog dan: ik heb geen behoefte aan hypocriete afscheidstoespraken.'
Voorkeur voor Kees
Wat hun mening over het CvB betreft blijken Wormeester en Meijer zonder aarzeling het meest te spreken over de financiële man in het CvB, Kees van Ast. `Bij zijn aantreden hadden we echt onze vraagtekens. Zo van: is dat nou de figuur die het schip financieel vlot moet trekken? Maar we hebben vertrouwen in hem en beschouwen hem als zeer deskundig op zijn terrein. De UT staat er nu veel beter voor. Hij is nuchter, kan goed relativeren, heeft gevoel voor humor en is nog handig ook.' En Flierman? `We denken dat Anne opereert in een voor hem niet-natuurlijke omgeving, waarin hij zich overigens bewonderenswaardig staande houdt. De technische wetenschappen zijn hem wezensvreemd. We zien hem meer tot zijn recht komen in een politiek-ambtelijke structuur. Het zou een uitstekende burgemeester zijn.' En Zijm? `Henk zou als rector het uithangbord van de UT moeten zijn. Maar onder Flierman is dat niet gelukt. Hij begon vier jaar geleden weliswaar veelbelovend met verfrissende ideeën over onderwijs en onderzoek. Daar sprak zeker visie uit, maar ook te weinig focus. Zijn ideeëngoed leidde tot te weinig concrete doelen. In de loop van die vier jaar zag je Henk als bestuurder veranderen. Verstandig dat hij nu weer de wetenschap opzoekt.'