UK. Uit een peiling onder honderd RUG-studenten blijkt dat opvallend veel studenten (driekwart) tijdens de universiteitsraadsverkiezing stemt. Veertig van de ondervraagden stemt op een bekende. Ook werd geantwoord: `Ik heb een ijsje van die jongen gekregen en beloofd om op hem te stemmen. Of: `Ik heb op Valentijn gestemd omdat ik dat zo'n mooie naam vond.' De honderd deelnemers kregen ook een foto van hun CvB-voorzitter Simon Kuipers onder ogen. Slechts vier van hen wisten wie de wat oudere heer met bril was. De rest meende dat het Toon Hermans betrof, Mahatma Gandhi, `een geleerde' of `die van defensie'.
OBSERVANT. Kinderradioloog dr. Simon Robben is door zijn studenten uitgeroepen tot de
beste docent van geneeskunde. Hij heeft dat te danken aan zijn passie voor het vak, zijn inspirerende werkvormen, zijn feedback en humor. Robben zelf zegt geen aangeboren passie voor onderwijs te hebben. `Ik had er niets mee. Lesgeven was een noodzakelijk kwaad. Studenten waren lastig en hielden je van je werk.' De ommekeer kwam tijdens een praatje voor radiologen toen hij de moed had een grapje te maken. De zaal barstte in lachen uit. Sindsdien maakt Robben terloops grapjes tijdens zijn colleges. `Hij lijkt op Herman Finkers,' vinden de studenten. En dat dus niet alleen vanwege zijn snor.
FOLIA. Communicatiewetenschapper Ben Tiggelaar vraagt zich af of hij wel in de rubriek `Roem' thuishoort. `Ik heb niet de ambitie om BN'er te worden.' Dat hij door de media als managementgoeroe wordt gezien, laat hem koud. `Wat mij aantrekkelijk maakt ten opzichte van anderen is mijn volstrekte nuchterheid. Grachtengordeltypes die elkaar met scherpe stukjes over en weer afserveren, vind ik nogal nikserig.' Tiggelaar probeert managers te onderwijzen, te motiveren en te inspireren. Over bijeenkomsten van medewerkers op de hei om de klokken weer gelijk te zetten, is hij duidelijk. `Zodra ergens de zinsnede valt: we gaan komend jaar een beetje meer letten op dit en dat, weet ik genoeg: dan komt er niets van terecht.'
RESOURCE. Ceres is 130 jaar geworden. Iedereen die ooit iets met de Wageningse
studentenvereniging te maken heeft gehad, verzamelt zich voor het bestuursgebouw. Oude Ceresdames en -heren knabbelen aan hemabroodjes en drinken appelsap in de zon, alsof het hun pils van vroeger is. Als de rijtuigen vol worden geladen, lijkt het zelfs een plechtige aangelegenheid te worden. De prachtige jurken en hoge hoeden dragen hieraan bij. Omstanders kijken verbaasd naar de stoet. Twee internationale studenten zijn ervan overtuigd dat ze bij iets heel belangrijks aanwezig zijn. Een klein jongetje denkt daar anders over. Zijn moeder roept herhaaldelijk: Céres, niet circus.'