'Ik begon in '89 aan mijn door de Nederlandse Kankerbestrijding betaalde onderzoek. Het brede onderwerp was kankerpreventie door gezondheidsvoorlichting, en in die tijd was de daling van het percentage rokers net gestabiliseerd op zo'n vijfendertig procent van de volwassen bevolking. De voorlichting via de massamedia functioneerde al goed, zodat het voor de hand lag eens te kijken naar interpersoonlijke kanalen.' De stap naar de huisarts lag volgens Pieterse voor de hand. 'Huisartsen kennen hun patiënten en veel klachten hangen samen met roken, en bieden dus een goede gelegenheid om het onderwerp 'stoppen' aan te roeren.' Maar daartoe moest wel een speciaal op de huisartsen gerichte aanpak ontwikkeld worden. Pieterse: 'Destijds deden huisartsen nog maar weinig aan het probleem. Deels omdat de tijd hen ontbrak, en deels omdat ze niet wisten hoe ze het aan moesten pakken. Huisartsen konden dan geen duidelijke oplossing aandragen, en dus reageerden ze vaak maar niet.'
Mis
De huisarts moest dus kort, duidelijk en effectief leren handelen. Daartoe ontwikkelde Pieterse een handzaam stappenplan, de 'Minimale Interventie Strategie'. Pieterse: 'Het is essentieel om aan te sluiten bij het stadium van de besluitvorming van de roker. Gaat het om een tevreden roker, twijfelt die persoon nog of heeft hij al besloten om te stoppen?' Om te beginnen ontwierp Pieterse een eenvoudige test om dat stadium vast te stellen. Zo kan de huisarts bepalen hoe hij het gesprek het beste kan vervolgen. Pieterse: 'Het moeilijkst zijn de tevreden rokers, die laat de huisarts meestal met rust. Hij weet natuurlijk vaak niet dat ze roken, en als hij dat al weet kan hij hooguit enige twijfel proberen te zaaien. In de praktijk is het vaak een belangrijke gebeurtenis uit het persoonlijk leven, zoals de dood van een bekende, die van een tevreden roker een twijfelaar maakt.'
Bij die twijfelaars is de taak van de huisarts duidelijker. Pieterse: 'Die schetst je de risico's, en doet je een aanbod van hulp.' Diehulp bestaat vervolgens uit een gerichte analyse van de factoren die een poging tot stoppen kunnen doen mislukken. Daarbij kunnen de ervaringen bij eerdere pogingen helpen, want een groot deel van de rokers heeft al een mislukte stoppoging achter de rug. Pieterse: 'Met die analyse kan tijdens het gesprek een begin gemaakt worden. Daarnaast ontwikkelden we een brochure waarmee de roker thuis verder aan de slag kan. ' Zo bepaalt die roker zelf of hij bijvoorbeeld een spanningsroker is, die voortaan altijd een pakje kauwgom op zak moet hebben, of juist een ontspanningsroker die bij wijze van spreken meer baat heeft bij een hond om na het eten uit te laten. Huisarts en roker besluiten het gesprek desgewenst met twee afspraken: wanneer de roker stopt, en wanneer een vervolggesprek plaatsvindt.
Koepel
Na de drie jaar die de ontwikkeling van dit programma kostte werkte Pieterse vier jaar aan de verspreiding ervan. Pieterse: 'Die huisartsen worden al met veel onderwerpen benaderd, en daar moesten we dit nog eens tussen zien te krijgen. We hebben geprobeerd het via de landelijke koepel en de districten in het regionale nascholingsaanbod te laten opnemen. Als we zover waren moesten we de huisartsen, net als de rokers, ervan overtuigen dat het systeem meer vóór- dan nadelen biedt.' En dat was bij Pietersens laatste evaluatie, in 1996, bij zo'n vijftien procent van alle huisartsen gelukt. Pieterse: 'Toevallig is dit percentage gelijk aan het percentage succesvolle stoppers, zo blijkt uit mijn evaluatieonderzoek. Ongeveer vijftien procent van alle rokers waar de huisartsen die deze methode gebruikten mee spraken, bleken een jaar na het gesprek nog steeds niet te roken. Dat is twee tot drie keer zoveel als in huisartspraktijken waar deze methode niet wordt toegepast.'
En daarmee is sprake van een aardig succesvol project. Pieterse: 'Daarnaast vond ik het verschrikkelijk leuk om onderzoek, de ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal en de uitvoering te combineren. In het begin gaf ik zelf de scholing aan huisartsen. Onderzoekers beperken zich meestal tot het ontwerpen en testen van innovaties, en dat leidt er vaak toe dat die onderin een la terechtkomen. Alleen denk ik dat dit programma sneller van de grond was gekomen als we al direct van het begin af de huisartsenkoepel hadden laten meedenken bij de ontwikkeling. Vroegtijdige betrokkenheid van organisaties van de doelgroep is een belangrijke aanbeveling uit mijn proefschrift. Want dat bepaalt volgens mij in hoge mate de kans op een grootschalige toepassing.'
![]()