Als je de volgende dag de verantwoordelijke man van het Facilitair Bedrijf opbelt om te vragen of ze de straatverlichting kunnen repareren denk je onwillekeurig: Waar heb ik die stem eerder gehoord...
Niets
Brand. Vuurwerkoverlast. Ellende. Vernielingen. Vuilcontainers in de fik steken. Fietsje jatten. Lantarenpaal verzieken. Vingerverf. Ruitje intikken. Wildplassen. Gansje pesten. Barbaarse vernielzucht. Verkeersborden ontvreemden. Abri ontmantelen. Mensaborden en -bestek aan de eigen uitzet toevoegen. Kunstwerken aanpassen. Straatmeubilair verbouwen. Vandalisme.
Noem maar op. Voor de hedendaagse jongere is er nog steeds voldoende op straat te beleven. De campusbewakingsdienst en de politie brengen heel wat uurtjes door met het rapporteren van activiteiten. Hoofd bewaking Marcel Weustink zit gewoonlijk de eerste twee dagen van ieder nieuw jaar achter zijn tikmachine.
En dit jaar? Helemaal niets is er gebeurd. Nada. Noppes. Geen inbraak en geen vernielinkje. Niets. Dit jaar geen tennisarm voor Weustink. Hoe dat komt? Omdat het de hele vakantie heeft geregend, denkt hij. Dan blijven de vandaaltjes binnen. 'Ik vind het onvoorstelbaar.'
Je vraagt je af hoe de kleine vandaaltjes zich toch hebben kunnen vermaken. Zouden ze de hele vakantie op het internet hebben gesurft? Videospelletjes hebben gespeeld? Hun moeder hebben gepest? De binnenkant van hun ogen hebben bekeken? Het geeft te denken. Veel regen betekent geen criminaliteit. Je zou bijna gaan hopen dat er altijd pijpenstelen naar beneden komen.