Van Vught geldt als een van de invloedrijkste hoger onderwijsexperts in Europa. Hij was van 1997 tot 2005 rector magnificus en bestuursvoorzitter van de UT en heeft bij de faculteit MB als honorair hoogleraar sindsdien een nul-aanstelling. Sedert het ontstaan van de eerste rankings van de Shanghai Jiao Tong University (in 2003) en de Times Higher Education (in 2004) kwam er internationaal een discussie op gang over dit soort jaarlijkse wereldwijde overzichten van de status en kwaliteit van universiteiten. `De kritiek groeide dat deze rankings een weinig realistisch beeld geven van de kwaliteit van universiteiten. Maar tegelijkertijd reageerden zowel nationale beleidsmakers als universiteitsbestuurders er wel nadrukkelijk op, met pogingen hoger op de rankingladders te komen. Bijvoorbeeld door hun strategie daar mede op te baseren.'
De kritiek op de huidige twee toongevende rankings noemt hij terecht. `We moeten toe naar een benadering die veel meer recht doet aan de verschillen tussen universiteiten. Er moet een betere wereldwijde ranking van hoger onderwijsinstellingen komen. Dat is wat de Europese Commissie wil.'
Die kritiek op de twee bestaande rankings komt volgens hem neer op vier punten. `Ten eerste blijken deze rankings veel meer de reputatie van een universiteit te meten dan de werkelijke prestaties. Dit geldt met name voor de Times ranking die grotendeels gebaseerd is op de oordelen van `peers' over de vermeende kwaliteit van universiteiten. Daarnaast blijken de gebruikte indicatoren in de rankings een sterke voorkeur te hebben voor een bepaald type universiteit, namelijk de comprehensive research university. De gehanteerde indicatoren laten een `bias' zien in de richting van onderzoeksprestaties, leeftijd en omvang van de instelling. Verder werken de bestaande rankings met geaggregeerde uitspraken waarin verschillende aspecten van de prestaties van instellingen worden gecombineerd in een enkel oordeel. Daardoor verdwijnen verschillen tussen universiteiten. En tenslotte lokken de huidige rankings strategisch gedrag uit van overheden en instellingen, die in hun beleid reageren op de uitkomsten van de rankings.'
En dat leidt volgens Van Vught dan weer tot allerlei imitatiegedrag en daardoor tot afname van de diversiteit in hoger onderwijsstelsels. `Nagenoeg alle nationale overheden willen hun instellingen bij de top 50 of 100 van de wereld zien te krijgen en ook veel universiteiten menen dat zij de komende jaren bij de top zullen gaan horen. Met het oog daarop doen ze allemaal hetzelfde, investeren ze allemaal in hetzelfde en gaan ze allemaal steeds meer op elkaar lijken. Met name kleinere en minder rijke universiteiten kunnen deze race nooit winnen.'
En nu ga jij dus een betere ranking maken?
`Dat is inderdaad de bedoeling. Gedurende de afgelopen jaren heb ik een onderzoeksproject, ook bekostigd door de Europese Commissie, geleid dat gericht is op het ontwikkelen van een classificatie van hoger onderwijsinstellingen. Die classificatie is een instrument waarmee de verschillen tussen hoger onderwijsinstellingen in beeld kunnen worden gebracht en waarmee dus onderling vergelijkbare instellingen kunnen worden geïdentificeerd. Het classificatie-instrument beschrijft de kenmerken van een instelling aan de hand van een aantal dimensies en indicatoren. Elke universiteit heeft zodoende haar eigen karakteristieke profiel', aldus Van Vught.
Die classificatie zal nu als basis gaan dienen voor de nieuwe Europees te ontwikkelen ranking. `Die krijgt daarmee een multi-dimensioneel karakter. Instellingen zullen op een aantal dimensies worden vergeleken, zonder dat ze daarna in een geaggregeerde `hitparade' worden geplaatst. Elke instelling kan het eigen profiel (van de eigen scores op de diverse dimensies) laten zien en zich zo een plaats verwerven in de wereldwijde ranking. Het enige wat een instelling goed moet weten is waar zij haar prioriteiten wil leggen. Dat geldt dus ook voor de UT.'
Diverse overheden willen de classificatie (die aan het eind van het jaar gereed zal zijn) gaan gebruiken om de diversiteit in hun eigen hoger onderwijssystemen te bepalen en daar verder beleid op te baseren. Van Vught: `Ook met het ministerie van OC&W praat ik daar over. Bovendien hebben de `Bologna'- ministers in april dit jaar besloten dat deze classificatie in de komende jaren een belangrijk onderdeel zal zijn van de volgende fase van het Bolognaproces (waarin tien jaar geleden de bamastructuur werd afgesproken, red.). Op die manier wordt de diversiteit van het Europees hoger onderwijs transparant gemaakt. Verder dient zich nu de mogelijkheid aan van een wereldclassificatie. Met onze collega's van de Carnegie classification (de bestaande classificatie in de VS, red.) werken we aan een afstemming tussen de Amerikaanse en de Europese classificaties. Ook de Chinezen van de Shanghai ranking hebben belangstelling getoond. Misschien zien we in de komende jaren wel een wereldwijde classificatie ontstaan waarin universiteiten zich op wereldschaal met hun eigen profiel kunnen manifesteren. De nieuwe ranking zal een gedegen concurrent worden van de bestaande rankings.'
Hoe gaan de Nederlandse universiteiten het in die nieuwe classificatie en ranking doen?
`De Nederlandse universiteiten behoren zeker bij de beste van Europa. Volgens de Shanghai ranking is Utrecht de nummer 9 van Europa en nummer 47 van de wereld. Volgens die ranking staan er negen Nederlandse universiteiten in de top-100 van Europa en negen in de wereld top- 200. Dat is een mooie score. In de Times ranking staan er acht Nederlandse universiteiten in de top 150. Ook niet slecht. De nieuwe classificatie en multi-dimensionele ranking zullen de verschillen tussen de instellingen beter in beeld brengen, zodat we ook kunnen zien welke universiteiten waar goed in zijn en hoe algemeen of gespecialiseerd. Dan zullen we bijvoorbeeld ook kunnen vaststellen dat sommige Nederlandse universiteiten een sterk onderzoeksprofiel hebben, andere een hoge onderwijskwaliteit en weer andere een stevig ondernemend karakter. En dan kunnen we ze natuurlijk ook beter vergelijken met soortgelijke instellingen wereldwijd en vaststellen of de Nederlandse instellingen in hun eigen, zelf gekozen profiel bij de top behoren, of niet.'
Hoe denk je dat de UT in dit kader zal scoren?
`De UT staat volgens de Shanghai ranking niet in de top-100 van Europa en slechts op een positie tussen de 300 en de 400 in de wereldranglijst. Dat is grotendeels verklaarbaar uit de relatief geringe omvang van de UT, haar relatief jonge leeftijd en haar relatief beperkte onderzoeksvolume. Als geïnstitutionaliseerd 3TU-verband zouden de drie Nederlandse technische universiteiten het op wereldschaal uitstekend doen, maar als individuele instellingen scoren ze stuk voor stuk minder. Delft heeft een positie tussen plaats 150 en 200. In de nieuwe classificatie verwacht ik voor de UT een profiel van een niet al te breed onderwijsaanbod, een studentenpopulatie die half technisch en half maatschappijwetenschappelijk is, een goede onderzoeksoutput, een redelijk score op internationalisering en vooral een sterke score op de dimensies regionale oriëntatie en involvement in knowledge transfer. Als ondernemende universiteit heeft de UT op dit terrein natuurlijk haar sporen verdiend. Het ondernemende karakter is het sterkste kenmerk van het profiel van de UT. Het gaat om een reputatie die in een periode van bijna dertig jaar is opgebouwd. Het afschaffen van het beeldmerk `De ondernemende universiteit' kan de indruk wekken dat je die ondernemendheid overboord zet. Dat mag je dus niet doen, want dat is nou juist je sterke punt.'
`Verder zou de UT zich in het licht van de nieuwe ranking kunnen inspannen om het profiel van de Europese ondernemende universiteiten verder te versterken, bijvoorbeeld in ECIU-verband (het European Consortium of Innovative Universities, red.). Dat lijkt me een uitgelezen kans voor de UT. In Europa is Twente toch vooral bekend als ondernemende universiteit.'
Verder schat Van Vught in dat de UT op veel van de andere dimensies niet opvallend zal scoren en daar dus ook niet een sterk profiel aan zal kunnen verbinden. `Zelfs als technische universiteit heeft de UT moeite zich te profileren omdat de samenstelling van de studentenpopulatie (half technisch, half niet-technisch) daarvoor een dominante indicator is. Dat hoeft echter geen probleem te zijn. Als de UT maar duidelijk weet wat ze wel en wat ze niet wil zijn. Met name zal ze moeten bepalen wat haar toekomstige dominante profielkenmerken zullen zijn en waarop zij wel en waarop ze niet internationaal zichtbaar kan zijn. Een goede analyse van de huidige prestaties gekoppeld aan een realistische ambitie is daarbij van groot belang. De UT zal niet alles tegelijkertijd kunnen en zal ook niet zo maar haar bestaande profiel kunnen veranderen. Vanuit het perspectief van ondernemende universiteit liggen er veruit de meeste kansen.