Waarom presteert de Nederlandse wetenschap zo goed, vergeleken met andere landen? Omdat Nederlandse onderzoekers van oudsher veel samenwerken. En dat weegt steeds zwaarder.
Die verklaring opperde Stuart Blume, emeritus hoogleraar wetenschapsdynamica aan de Universiteit van Amsterdam. Hij liet zijn licht schijnen op de Nederlandse wetenschapsbeoefening bij de feestelijke presentatie van een ‘staalkaart’ van hedendaags Nederlands onderzoek.
Er is in de afgelopen decennia soms verstandig wetenschapsbeleid gevoerd. Met name de Vernieuwingsimpuls voor topwetenschappers kreeg van alle aanwezigen lof toegezwaaid, net als de systematische onderzoeksbeoordelingen. Maar het beleid kan volgens Blume niet de enige oorzaak van het hoge niveau zijn. Zeker niet gezien de dalende investeringen in wetenschap.
De Brit kwam begin jaren tachtig naar Nederland. Hij stond ervan versteld dat Nederlandse wetenschappers elkaar hielpen bij het aanvragen van subsidies en het schrijven van onderzoeksplannen. “Ik kwam uit een land waar men de concurrent het liefst neerschoot.” Hij zag de aangename kant van de Nederlandse onderzoekscultuur, hoewel hij het gebrek aan competitie wel opmerkelijk vond.
“Now, the world of science has come to meet us half way”, meent hij. Want samenwerking is wereldwijd steeds belangrijker geworden en Nederlandse wetenschappers zijn wat competitiever geworden.
Ook een andere aanwezige legde de nadruk op samenwerking: Joyeeta Gupta, hoogleraar klimaatverandering aan de Vrije Universiteit. Zij kreeg twee jaar geleden de Nobelprijs voor de Vrede, samen met de voormalige Amerikaanse vicepresident Al Gore en al haar collega’s van het Intergovernmental Panel on Climate Change. Volgens haar zullen de wetenschappelijke Nobelprijzen in de toekomst ook vaker aan groepen dan aan individuen worden uitgereikt.
“In vijf procent van de gevallen gaat iemand er vandoor met een idee waar je zelf al jaren aan werkt”, zei professor Eveline Crone na afloop. Zij is de voorzitter van de Jonge Akademie, een KNAW-afdeling voor jonge topwetenschappers. “Maar dat weegt niet op tegen het nut van weerwoord en opbouwende kritiek. Daarom zijn de meeste wetenschappers niet bang om hun werk aan anderen te presenteren.”
Er waren nog veel meer aanwezigen, waaronder enkele voormalige ministers van wetenschap. Zelfs Ronald Plasterk kwam even binnenwippen. Dit alles ter ere van de presentatie van het boek ‘Land, met schoone kleuren geschakeerd - Staalkaart van het Nederlands universitair onderzoek’. Het noemt allerlei uitmuntend Nederlands onderzoek, verdeeld over domeinen als ‘hersenen en gedrag’, ‘samen leven’ en ‘technologie’. Alle universiteiten worden een paar keer genoemd. Achterin staan enkele statistieken over impact en investeringen.
Eigenlijk zou Dutch research zoiets moeten worden als het wereldwijd bekende Dutch design, vond voorzitter Sijbolt Noorda van universiteitenvereniging VSNU. Dit boek zou daarbij kunnen helpen. Voorheen publiceerde de VSNU alles over wetenschap in een jaarverslag. “Dat leverde een publicatie op die zo dik was als het telefoonboek van de regio Utrecht”, herinnerde Noorda zich. “Maar het mocht zich niet beroemen op een brede lezersschare.”
HOP, Bas Belleman