De hoogleraar psychologie uit Groningen begon met het geven van enkele definities van intelligentie. Het woord is te herleiden uit het vermogen tot adaptatie. Aanpassing aan de huidige en toekomstige toestand, maar ook aanpassing van de huidige en toekomstige situatie.
Vervolgens bracht de professor enkele klassieke assumpties in kaart, zoals deze: het vermogen tot adaptatie is een persoonskenmerk, een 'trek'. Dit niveau is meetbaar. Een persoon heeft op deze meting een ware score, die door meetfouten wordt omsluierd. De psychometrische traditie heeft zich op dit meten van de intelligentie gestort.
Van Geert sloeg deze weg ook in en liet zien hoe een bepaald intelligentiequotient wordt uitgerekend. Veel terminologie uit de statistiek vlogen daarbij het Amfitheater in. Zo legde de hoogleraar en passant uit wat de werkelijke betekenis is van vrij vage begrippen als correlatie en gemeenschappelijke factorvariatie. Wat dergelijke termen echt betekenen weet bij niemand, iedereen gebruikt ze min of meer intuïtief als gevolg van de niet te doorgronden statistische bewerkingen waarmee deze termen worden bepaald.
Na een ingewikkelde passage over verscheidene factor- en componentenmodellen, kwam de spreker aan bij een van de boeiendste punten uit zijn lezing. Hij introduceerde een andere kijk op het begrip intelligentie als reactie op de klassieke blik. Waar het klassieke model intelligentie beschouwt als gesloten 'pakketje' in een persoon dat reageert met de omgeving waarin hij leeft, liet Van Geert weten dat hij intelligentie als een veel vagere eigenschap van een persoon beschouwt. Zoiets als 'voortkomend uit de voortdurende wisselwerking van een persoon met zijn omgeving'. Volgens zijn visie is intelligentie dus veel veranderlijker dan tot nu toe met het klassieke model werd aangenomen.