Opgewonden en uitgelaten. Zo verliep afgelopen weekend de eerste bijeenkomst van het internationale wetenschapswinkelnetwerk, onder de titel Living Knowledge. Eindelijk erkenning, want de EU financierde dit initiatief. De Europese bestuurders willen namelijk in het zesde kaderprogramma de kloof tussen wetenschap en samenleving verkleinen die door de BSE-crisis een absoluut dieptepunt heeft bereikt. De wetenschapswinkels hebben als een van de weinige organisaties structureel ervaring met onderzoeksaanvragen vanuit de basis. Zij richten hun onderzoek immers in de eerste plaats op de directe kennisbehoeften van niet-
draagkrachtige groepen. Het 'we need you' van Rainer Gerold van het Europese Research Directorate-Général was in het Leuvense auditorium van Literatuur en Filosofie niet aan dovemansoren gericht.
Coördinator Dick Schlüter van de Wetenschapswinkel UT ging in zijn voordracht in op de rol die de universiteit speelde na afloop van de Enschedese vuurwerkramp. 'Even was de UT één grote wetenschapswinkel. Op zich wil je dat altijd bereiken, maar de aanleiding was natuurlijk minder mooi.'
Het symposium gold als aftrap voor toekomstige samenwerking, kennisuitwisseling en, niet onbelangrijk, als generator van nieuwe ideeën. De Nederlandse wetenschapswinkels mogen dan vanaf de jaren '70 al bestaan en inmiddels tot volle wasdom zijn gekomen, in het buitenland zit men bepaald niet stil. Waar Nederlandse universiteiten hun wetenschapswinkels sluiten, schieten ze elders als paddestoelen uit de grond. Sommige steken aarzelend de kop op - zoals in Ierland, Spanje en Noorwegen - andere bloeien weelderig vanaf hun eerste levensjaar.
Sponsors
Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor projecten in Canada en de Verenigde Staten. Daar bestaat voor 'community based' onderzoek een veel betere voedingsbodem dan in ons land. Geprivatiseerde universiteiten ontvangen miljoenen dollars van hun sponsors die dichtbij hun consument willen staan, en van de overheden die hun onderzoeksbeleid de laatste vijf jaar radicaal bijstelden. Het Amerikaanse Community Research Network (CRN) dat in 1995 werd opgericht ondersteunt dit soort onderzoeken. Inmiddels telt het 1200 leden uit 35 verschillende landen.
De vaak uitgebreide projecten worden in nauwe samenwerking met locale gemeenschappen opgezet. Bewoners, belangenverenigingen, onderzoekers en ondersteunend personeel werken samen aan concrete zorgen uit de samenleving zoals jeugdcriminaliteit en weerbarstige milieuvraagstukken. Die gestructureerde aanpak levert niet zelden rake resultaten op. In Woburn, Massachusetts bijvoorbeeld toonden onderzoekers van de Harvard School of Public Health aan dat het uitbreken van leukemie onder kinderen weldegelijk gecorreleerd kon worden aan vervuiling van het drinkwater. De aandacht in de media was enorm en de bestuurders werden gedwongen actie te ondernemen.
Gewenst bijproduct van dit soort onderzoeksprojecten is dat zowel nieuwe sociale als fysische onderzoeksmethodieken worden ontwikkeld, zoals slimme statistische ondervragingsmethoden en uitgekiende monsternemingen van grond of water. Ook werpen de projecten nieuw licht op de onmisbare medewerking van de gemeenschap. Waar de gangbare wetenschap geneigd is de beschuldigende vinger op te steken en de resultaten als subjectief af te doen, wijzen de onderzoekers zelf maar al te graag op de geweldige participatie. Door mobilisering van de bevolking benaderen de responscijfers van enquêtes ook voor compromitterende onderwerpen de magische grens van 100 procent. Een jaloersmakend cijfer.
Zelfmoord
Dat impact en projectgrootte niet altijd hand in hand gaan bleek uit het indrukwekkende afstudeeronderzoek van Ross White uit Belfast. Zijn onderzoek naar de achtergronden van zelfmoord bij jonge homoseksuelen veroorzaakte in het Verenigd Koninkrijk een schokgolf, en hield de maatschappij een spiegel voor. White: 'Het idee voor dit onderzoek kreeg ik door het lezen van Amerikaans onderzoek. Toen ik van een docent toevallig te horen kreeg dat de wetenschapswinkel meerdere aanvragen hierover had binnengekregen, ben ik gericht aan de slag gegaan met volledige steun van de achterban. Zoals bekend heeft het onderzoek veel impact gehad, maar ook voor mij persoonlijk was de invloed groot. Op deze manier ben ik in contact gekomen met een groep in de samenleving waarvan ik nog nooit iemand had ontmoet.'
Berenpopulatie
Aansprekend was ook het relaas van Endre Rudolfsen van de Videnskapsbutiken Origa uit het Noorse Trondheim. Rudolfsen: 'Wijzijn in 1999 begonnen en ik ben naar Leuven gekomen om zoveel mogelijk te leren. Zo besteden we in Trondheim veel aandacht aan de opdrachtomschrijving. De klant moet natuurlijk goed geholpen worden, maar vanuit de universiteit stellen we vooral de werkervaring van de studentonderzoeker centraal. Inmiddels hebben we een aantal projecten lopen zoals een communicatieplan voor een regionale bank, en de ontwikkeling van statistisch onderzoek naar de berenpopulatie in een gebied waar de schapenfokkerij een belangrijke inkomstenbron vormt. De beren hebben recht op hun leefgebied maar de boeren moeten ook eten. Er zijn nu ideeën om weiden gedurende bepaalde perioden van het jaar te sluiten omdat de beren vooral dan daar naartoe trekken.'
De auteur is naast medewerker UT-nieuws bemiddelaar onderzoek van de Wetenschapswinkel UT.
![]()