'Al te snelle invoering keurmerk bedreigt universitaire vrijheid'

| Redactie

Nederland heeft veel te veel haast met de invoering van een kwaliteitskeurmerk voor het hoger onderwijs. Dat leidt tot ondoordachte beslissingen, en dus trekken de samenwerkende universiteiten aan de noodrem. Niets minder dan de universitaire vrijheid is in gevaar, meent bestuursvoorzitter Roelof de Wijkerslooth van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Als er niets gebeurt bepalen buitenstaanders

Nederland heeft veel te veel haast met de invoering van een kwaliteitskeurmerk voor het hoger onderwijs. Dat leidt tot ondoordachte beslissingen, en dus trekken de samenwerkende universiteiten aan de noodrem.

Niets minder dan de universitaire vrijheid is in gevaar, meent bestuursvoorzitter Roelof de Wijkerslooth van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Als er niets gebeurt bepalen buitenstaanders straks de inhoud van het wetenschappelijk onderwijs.

Om internationale vergelijking van opleidingen mogelijk te maken spraken 29 Europese onderwijsministers in juni 1999 in Bologna af allemaal hetzelfde stelsel in te voeren. Na drie jaar studeren mag de student zich 'bachelor' noemen, een of twee jaar verder wordt hij 'master'. Zo hoeven Nederlanders in den vreemde nooit meer uit te leggen wat een doctorandus is, is de gedachte.

De volgende stap is 'accreditatie'. Door de invoering van een keurmerk wordt het mogelijk de kwaliteit van het onderwijs te vergelijken. Volgens de Bologna-verklaring hebben de deelnemende landen tien jaar de tijd om het hele stelsel in te voeren.

Minister Hermans houdt niet van treuzelen: in november benoemde hij negen 'kwartiermakers', die gaan bekijken aan welke voorwaarden de Nederlandse opleidingen moeten voldoen om het keurmerk te krijgen. Volgend jaar moeten de eerste keurmerken worden verstrekt.

Volgens De Wijkerslooth - tot mei vorig jaar de hoogste OC&W- ambtenaar voor het hoger onderwijs - is die haast verklaarbaar: 'De laatste jaren worden naast het reguliere onderwijs door allerlei instituten speciale masteropleidingen aangeboden die zich onttrekken aan de normale kwaliteitscontrole. De overheid moet dus ordenend optreden.'

De kwaliteit van het reguliere onderwijs controleren de universiteiten en hbo-instellingen nu zelf. Visitatiecommissies van de VSNU (universiteiten) en de HBO-raad (hbo) nemen iedere studie eens in de vijf jaar onder de loupe.

Als het aan de universiteiten ligt blijft dat zo: zij zelf stellen de normen vast waaraan het wetenschappelijk onderwijs moet voldoen. Het accreditatieorgaan hoeft dan alleen te controleren of de visitatiecommissies zich aan hun eigen protocollen hebben gehouden.

Nachtmerrie van de universiteiten is dat het accreditatieorgaan de inhoudelijke normen voor wetenschappelijk onderwijs zou gaan vaststellen.

'Wetenschappelijk onderwijs groeit mee met het onderzoek aan de universiteit', zegt De Wijkerslooth. 'Een onafhankelijk college kan daarvoor geen standaarden bepalen.' De VSNU vreest dat juist tot dat laatste nu inderhaast besloten wordt. 'Ik ben bang dat met onafhankelijk bedoeld wordt "nooit met wetenschappelijk onderwijs inaanraking geweest"', zegt De Wijkerslooth.

De universiteiten roepen op tot een serieuze bezinning. 'Het is niet aan de overheid de inhoud van wetenschappelijk onderwijs te bepalen', zegt De Wijkerslooth. 'Dan komt de fundamentele vrijheid van de universiteit in het gedrang.'

Het is hard nodig dat alle speciale mastersopleidingen aan controle worden onderworpen om het kaf van het koren te scheiden. Maar de huidige kwaliteitszorg voor de reguliere universiteiten voldoet uitstekend, menen die. Als het aan De Wijkerslooth ligt beperkt het accreditatieorgaan zich in het reguliere onderwijs dan ook tot het bewaken van de bewakers. Met de inhoud moeten zij zich niet bemoeien.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.