De jacht begint met het uitzetten van het aas. Toen mijn zusjes en ik nog jong waren, werden wij met een mandje de domeinen opgestuurd om op een stuk open terrein truffels in de mollengangen te stoppen. Papa had ons uitgelegd dat mollen bij het vallen van de avond altijd een inspectietocht door hun gangen maken. De gevangen prooien - wormen en larven, maar nu ook de truffels - duwen ze daarbij voor zich uit naar hun voorraadkamers. Zo maken de mollen onbedoeld een ondergronds geurspoor van truffels.
De volgende dag begint het grote werk. Met honden en stokken drijven de drijvers zoveel mogelijk wilde zwijnen naar het terrein met de truffels. Zwijnen zijn gek op truffels. Zodra ze het ruiken steken ze hun snuit in de mollengang. En het spoor volgend wroeten ze vervolgens als waanzinnigen het hele gangenstelsel open. De mollen weten niet wat hen overkomt. Voortgedreven door de zwijnen vluchten ze naar de uiteinden van hun gangen: de drinkplaatsen aan de slootkant. En daar staan onze schutters al klaar. Zodra een mol z'n snuitje boven de grond steekt krijgt hij een schot hagel tussen zijn blinde oogjes. Op topdagen schieten we zo wel 30 mollen.
De mollen lijden niet, dat weet ik zeker. Toch proberen dierenbeschermers zo af en toe een mol te redden. Ze gaan dan voor de zwijnen staan. Maar dat kan levensgevaarlijk zijn. Een zwijn dat truffels ruikt is niet te stuiten. Met mijn mandje met truffels placht ik in zo'n geval de zwijnen om te leiden. Ik was immers de beschermvrouwe. Maar dat hoeft dus nu niet meer. En eigenlijk is dat maar goed ook. Als de kroonprins met een geweer op het veld staat, kan de vorst maar beter ver uit de buurt blijven. Dat voorkomt Nepalese toestanden. Traditie of niet.