Iedereen liet zich interviewen of schreef een brief. Nu was het de beurt aan de bestuurders zelf. Maandag, half negen: de definitieve publieke toelichting via een interview in UT-Nieuws. De rector in eigen persoon zou klaarheid scheppen: over de schools, de institutes, en die ene megafaculteit. De afspraak stond, maar het ging rommelen.
Het was de week van de decanen. De onzekerheid moe uitten zij hun grieven in een gesprek met het college van bestuur. Het gesprek, donderdag 21 juni, werd een discussie, de discussie een confrontatie. Maandagochtend half negen is dinsdagmiddag vier uur geworden. De boodschap is een andere: de UT wil vijf faculteiten, schools komen er niet. Of wel? UT-Nieuws sprak met Frans van Vught, rector magnificus, en Peter Apers, portefeuillehouder onderzoek.
Het CvB haalt bakzeil, zo lijkt het.
Van Vught: 'Bakzeil? Nee hoor, daar is geen sprake van. Hoezo?'
Apers: 'We zijn juist blij! We liggen nu op één lijn met de decanen.'
Maar het lijkt een andere lijn dan die van de Hartslagmemo's. Die ene gewraakte faculteit is verdwenen. En waar zijn de schools gebleven?
Van Vught: 'Hohoho, wacht eens even. Voor alle duidelijkheid: ja, we zijn afgestapt van het plan voor één grote faculteit, dat is zo. En ja: dat betekent dus als vanzelf dat er meer faculteiten zullen komen - vijf naar het nu lijkt - al was het maar omdat een universiteit zonder faculteiten wettelijk niet mag bestaan. Maar nu de essentie: het is het college nooit te doen geweest om die ene faculteit an sich, zoals her en der is beweerd. Het CvB dat alles centraal zou willen regelen - onzin. Nee, wij zagen in de truc met één faculteit een bestuurlijke manier om de verdeling van de bevoegdheden binnen de primaire processen onderwijs en onderzoek te optimaliseren. Kernpunt was dat de wetenschappelijk directeuren van de instituten evenveel te zeggen zouden krijgen als de schooldeans. Volledige symmetrie in de verhouding tussen schools en institutes op het gebied van financiering en benoemingsbevoegdheid.'
Apers: 'Precies. En wel om de slagvaardigheid van beide te vergroten.'
Van Vught: 'En wat is er deze week gebeurd? De decanen hebben ons ervan overtuigd - en wij de decanen - dat om die symmetrie te bereiken één grote faculteit geen noodzakelijkheid is. Met vijf faculteiten kan het ook. Maar die symmetrie, die komt er. En daar gaat het ons wel om.'
Decanen en wetenschappelijk directeuren worden dus even sterk. Uit zich dat straks ook in het centrale managementteam?
Van Vught: 'Ja. College van bestuur, decanen en de wetenschappelijk directeuren van de onderzoeksinstituten vormen straks samen het managementteam.'
Dat wordt een drukte van belang. Jos de Smit vindt, blijkens de decanennotitie, dat het MT kleiner moet, en dus ook het college van bestuur.
Van Vught: 'Daarvoor moet je bij Jos de Smit wezen. Die notitie kennen wij niet.'
Apers: 'De gedachte dat een college van drie beter functioneert is niet bewezen, eerder het tegendeel. Dit college van vijf, heb ik de stelligeindruk, werkt prettig samen. Dat is voorheen in de UT-driemansschappen wel eens anders geweest.'
Eigenlijk betekent hartslag dus een opwaardering van de instituten.
Apers: 'Eigenlijk wel ja. En gezien de veranderende omgeving is dat ook hard nodig. De afzonderlijke leerstoelen zijn er altijd erg goed in geweest om bij NWO en andere financierders geld los te krijgen voor aio's of andere kleinschaligere projecten. Maar wat we steeds vaker zien is dat het NWO en de ministeries en ook Europa thematisch denken, interdisciplinair, in grotere programma's.
Van Vught: 'En dat NWO en de ministeries hun geld dus ook toekennen aan grote instituten. Die kunnen veel makkelijker inspelen op die thematische programma's. Dus wil je in het onderzoeksgeldennetwerk een beetje meedoen, dan moet je de onderzoeksprogramma's onderbrengen in een instituut. Daarom hameren wij zo op die instituten! Voorbeeldje: het Europese zesdekaderplan zit eraan te komen. We moeten zorgen dat we dat geldschip niet missen. Daarvoor zijn slagvaardigere instituten nodig.'
Vaak geuit angstbeeld is dat het onderwijs op deze manier ontkoppeld zou raken van het onderzoek. De notitie De Smit waarschuwt voor 'verzwakte samenhang'. Bovendien was er vrees voor verwaarlozing van de disciplines.
Van Vught: 'Wederom een misverstand. Als we spreken over geïnstitutionaliseerd onderzoek, dan hebben we het sec over onderzoek dat deel uitmaakt van een programma. Nu zijn het alleen de speerpuntprogramma's, straks moeten al het programmatisch en thematisch onderzoek in instituten worden ondergebracht. Dat kan ook fundamenteel, disciplinair onderzoek zijn, waarom niet?'
Apers: 'In bijvoorbeeld Mesa+ vindt nu al naast disciplinair onderzoek ook fundamenteel onderzoek plaats. Een veelgemaakte denkfout: institutioneel onderzoek staat gelijk aan multidisciplinair onderzoek. Schools versus institutes zou volgens die redenering betekenen: discipline versus multidiscipline. Maar daar is geen sprake van. Het CvB beseft uitermate goed dat je zonder disciplines nergens blijft.'
Van Vught: 'Kortom: het zogezegde 'vrije onderzoek' blijft in de faculteiten. Uiterst belangrijk om het onderwijs op niveau te houden, maar ook als voedingsbodem voor vernieuwingen ten behoeve van programmatisch onderzoek in de instituten.'
En het personeelsbeleid? Wie gaan straks leerstoelhouders aantrekken en bekostigen?
Van Vught: 'Dat wordt een gezamenlijke zaak van de decanen én de wetenschappelijk directeuren.'
Samenvattend: de UT gaat naar een model van faculties & institutes? Wordt dat de strekking van Hartslag, memo vier?
Van Vught: 'Waar het om gaat is: we zijn het met elkaar eens. Nogmaals, we zitten midden in een discussiefase. Het beleidstraject is nog niet opgestart. In memo vier zullen we een tussenconclusie trekken. Pas tegen de kerst hopen we formele beleidsbeslissingen te kunnen nemen.'
Apers: 'En dat is vrij optimistisch geschat.'
Van Vught: 'Ik snap dus ook niet waarom iedereen denkt dat we al aan het invoeren zouden zijn.'
Zoals Looise bijvoorbeeld.
'Dat vond ik naïef.'
Wat Looise zei leefde in alle lagen van de UT. Waar is het misgelopen? Waren de Hartslagnotities wel zo duidelijk?
Van Vught: 'Ze waren academisch. Maar dit is toch een universiteit? Persoonlijk denk ik dat het fout is gelopen toen die ene faculteit in het spel kwam. Dat heeft gewerkt als een rode lap op een stier.'
Tenslotte: het vastgoedplan. De UT, volgens Berenschot, heeft 390 miljoen gulden nodig om de stand van gebouwen op peil te brengen. Dat geld wordt grotendeels geleend op de kapitaalmarkt. Per jaar kost dat alleen al aan rente en aflossing 26 miljoen gulden. Dat vinden veel mensen erg veel geld, onder wie de decanen. Krijgen de decanen weer hun zin?
Van Vught: 'Eerst over dat geld. We moeten gaan bouwen, dat staat vast. Dus hebben we naar de meest goedkope oplossing gezocht. Er bestaat geen andere weg. Dit is de goedkoopste manier. Bovendien is Berenschot een expert op dit gebied. Maar nu over de decanen en het krijgen van hun zin: het is geen wedstrijd. Er heeft hier niemand iets gewonnen of verloren. We zijn het gewoon eens geworden. En dat moet ook.'
![]()