Dit blijkt uit de nadere uitwerking van het vastgoed-masterplan, inclusief plannings-, investerings- en verhuisschema, zoals die in juli is verschenen. Bij ongewijzigde uitvoering van het schema - de voorgstelde fasering is nog onderwerp van overleg op diverse fronten binnen de UT - zou de hele operatie in januari 2006 voltooid moeten zijn. De U-raad liet vlak voor de zomer bij monde van zijn voorzitter Dick Meijer weten 'nauwkeurig te zullen nagaan of het allemaal niet veel goedkoper kan. Wat ons betreft dus zonder al die toeters en bellen'. Die exercitie staat binnenkort op de rol.
Hoe dan ook, het vastgoedplan vergt, bij ongewijzigd beleid, zoals bekend een totale investering van 390 miljoen, waarvan 260 miljoen op de kapitaalmarkt geleend moet worden. Rente en aflossing leggen de komende 25 jaar een beslag van jaarlijks 26 miljoen op de UT-begroting. Of en hoe deze structurele exploitatieverzwaring door de instelling op te brengen is wordt onder meer met behulp van het bureau Berenschot nader onderzocht (het rapport van het adviesbureau wordt half september verwacht).
'Het moge duidelijk zijn dat een uitzicht hierop nodig is voordat met name fase 3 (Nieuwbouw in het O&O-gebied) kan starten', schrijft het college in de nieuwste masterplan-uitwerking. Fase 1 en 2 van het masterplan (renovatie WB en BB, kosten 65 miljoen) worden in december van dit jaar afgerond.
De laatste fase van het investeringsschema, 'nieuwbouw ten behoeve van groei', wordt pas gerealiseerd als de geprognotiseerde groei van de UT daadwerkelijk plaatsvindt. Aangenomen wordt dat de studenteninstroom groeit naar 1500 per jaar. In 2010 zou dat volgens het CvB resulteren in een totale studentenbevolking van 7500 en een personeelsbestand van 2100 fte. Het aantal benodigde vierkante meters voor onderwijs en onderzoek ligt dan in 2010 20% hoger dan nu. Mocht dit scenario werkelijkheid worden, dan is volgens voor de bijbehorende nieuwbouwfase 47 miljoen nodig.
Aan de becijfering van de ruimtebehoefte ligt onder meer een inventarisatie van het huidge ruimtegebruik ten grondslag. Hieruit blijkt dat veel kantoren en werkplekken op dit moment een bezettingsgraad hebben van minder dan 50%. 'Medewerkers hebben veelal hun bezigheid buiten hun kantoor in laboratoria, collegezalen en vergaderruimten. Daarnaast hebben velen deeltijdaanstellingen, maar wel de volledige beschikking over kantoorruimte.' Een verhoging van de bezettingsgraad van de werkplekken tot 70% moet mogelijk zijn, volgens het college, onder meer door het inrichten van flexibele werkplekken.
MASTERPLAN, zie ook elders in het UT-nieuws