Wij zijn vreemden. Mensen zijn vreemden. En dat bevalt ons wel. Tot een bepaald niveau althans. Wij wensen geen persoonlijk contact. Maar wij willen ons wel graag kenbaar maken. Wij willen gezien zijn. Onderwerp van gesprek zijn. Want wij bestaan.
Vroeger gebruikten we muren. Doodsaaie blinde muren, die niemand ooit mooi had gevonden. Die niemand ooit waren opgevallen. En daar schreven wij dan "Hallo" op. Met een spuitbus. Soms maakten we er ook een tekeningetje bij. Dat gaf ongelooflijk veel commotie. Men sprak van ontsiering, van vandalisme. Wij werden gevreesd. Maar anderen volgden ons na. En die maakten er al snel complete schilderijen van. Ze moesten wel, want anders viel het niet meer op. Ze werden erkende graffiti-kunstenaars. Maar dat is niets voor ons. Wij mogen dan nog zo vreemd zijn, wij zijn geen kunstenaars.
We ontdekten graanvelden. Op het uitgestrekte platteland. We maakten er cirkels in. Een ongekend succes. Luchtfoto's prijkten op de voorpagina's van alle kranten. Wereldwijd. Wij waren weer hot. Zelfs onze herkomst werd besproken. Maar opnieuw kregen we nalopers. Die maakten meervoudige cirkels. Ingewikkelde structuren van cirkels, lijnen en krommen. Want alleen de mooisten kwamen nog in de krant. Groeten in het graan verwerd tot hogeschool wiskunde. En wij stonden weer buitenspel.
Toen ontdekten we de joodse begraafplaatsen. Vergeten lapjes grond. Verwaarloosde composities van scheefgezakte stenen en onkruid. Wij brachten er weer leven in. Veranderden de compositie. Verlegden zo hier en daar een steen. Sloegen er een paar kapot. Plaatsten onze handtekening. En de krantenkoppen waren weer voor ons. Maar u raadt het al, we werden wederom overtroffen. Door idioten die zichzelf trots racist noemden, maar die geen katholieke begraafplaats van een joodse konden onderscheiden. Zo was er voor ons geen eer meer te behalen.
En toen ontdekten we de pony. Die oerdomme beesten die rondsukkelden op vergeten weitjes. Eigenlijk alleen bekend bij jonge meisjes. Bij beugeltrutjes, te oud voor de pop, te jong voor de man. Wij haalden ze uit de vergetelheid. De pony's en daarmee ook onszelf. Daar ging het tenslotte om. Wij lieten de pony's voelen dat het leven niet louter uit lieve meisjes bestaat. Wij brachten inkervingen aan, anale incisies, vaginale piercings. Onze groet aan de mensheid verspreidde zich snel. De kranten spraken er schande van. Ach, wij zijn dan ook niet van deze wereld. Maar onze nalopers typisch nou weer wel. Die vergrepen zich inmiddels aan een paard. Tijd voor ons om weer wat anders te verzinnen. Wacht maar af.