Waar we niet genoeg van kunnen krijgen zijn beleidsnotities over eten. Een ambtenaar die zich op culinaire zaken werpt, dat is cabaret.
Gelukkig zit er een verbouwinkje aan te komen: de mensa moet van de Bastille naar de Boerderij. Op zichzelf al een toestand van jewelste, maar het mooiste is dat de Bastille leeg moet vóórdat de Boerderij verbouwd is. Om die tijd te overbruggen moet er tien maanden lang gegeten worden in een 'winterharde tent'. Dat staat garant voor tientallen nota's en discussiestukken.
Zo zien we het graag.
'Satellietkeukens' waar aangeleverde 'maaltijden' worden 'afgewerkt'. Prima. De mededeling dat de Vrijhof als 'tijdelijke eetgelegenheid' over niet genoeg 'gas- en rioleringscapaciteit' beschikt om 'de toevloed' aan koks en eters te 'verwerken'. Ook goed.
Hoofdprijs: de solide, winterharde tent.
Je ziet ze zitten in die solide, winterharde tent. Het college van bestuur ontvangt tegenstanders van de vastgoedinvesteringen. Buiten vriest het vijftien graden. Binnen ook. Het verkleumde gezelschap zaagt hutspot met jus die stolt tussen lepel en klapstuk. Het hagelwitte tentzeil klappert venijnig, want het waait al de hele winter. De criticasters zijn gewikkeld in paardendekens met UT-logo en proberen tijdens het klappertanden tot een nut-en-noodzaakdicussie over betere behuizing te komen.
De voormalige stek-ober komt aangeschaatst. Hij draait een pirouette en laat de appeltaart met slagroom in scherven vallen. 'A-a-a-a-a-a-als je dat volgende week maar niet presteert', rilt de rector. We-we-we-wa-want dan draait Socutera hier een filmpje.'
Afscheid
De Boerderij wordt deze week met Schuur en al geruimd. Nog een paar dagen en niets zal in de oudsaksische bouwsels nog herinneren aan de druppels bloed zweet en tranen die de nijvere medewerkers van CenT en USE de afgelopen jaren in deze fraaie panden hebben gelaten. Nog even en hun werkplekken vallen ten prooi aan het wrede gereedschap van een leger bouwvakkers.
Een laatste blik op de Boerderij in oude staat was nog net mogelijk, begin deze week. Leuk voor later. Maar in de Schuur viel niets meer te beleven; een plaatje van de laatste studentondernemer die het licht uitdoet viel niet meer te maken. De stichting University Student Enterprises was al met stille trom vertrokken uit het pand dat met veel bombarie een jaar of twee geleden door minister Hermans werd geopend. Alleen een desolate welkomstbalie en een aanrecht vol afwas getuigden nog van de aanwezigheid, ooit, van de studentondernemers.
In de Boerderij was het inpakken en afscheid nemen nog in volle gang: voor de één een routineklus, voor de ander een weemoedig karwei, waarbij de toekomstige bestemming van de vertrouwde werkplek bij menigeen een bepalende factor voor het nostalgische gehalte van de afscheidsstemming leek te zijn.
Begrijpelijk. Wie voor de laatste keer zijn ontruimde werkplek aanschouwt, rijp gemaakt voor het ruwe handwerk van de verbouwers, en weet dat hij dat alles opgeeft voor een sfeervol stukje à la carte restaurant, doet dat met een goed gevoel. Maar degene die voor het laatst zijn kantoor verlaat in de wetenschap dat hij plaatsmaakt voor een toiletgroep, zal weinig behoefte voelen nog een vertederde blik op zijn lege bureau te werpen. Om maarte zwijgen van degene die deze week voor het laatst zijn arbeid verricht op de toekomstige afwerkplek van voorgekookt voedsel.