Het slechtste Potternieuws van dit kalenderjaar komt van de campus.
We kennen de goodies, de verkoopcijfers, de film, de gehele godganse Pottermania - en alles is tot daaraan toe. Volwassenen die in de trein met hun duim in de mond deel vier savoureren, het is geen smakelijk gezicht. Kenners spreken van literair ramptoerisme: iedereen - houders van het mulodiploma tot en met bezitters van een Nobelprijs - leest Harry Potter. Waarom? Omdat de Libelle zegt dat we zonder Harry niet verder kunnen leven. Maar het kan altijd erger. De meest alarmerende Potterdegeneratie speelt zich af in flats op de campus van de Universiteit Twente. Binnen de muren van dit academische bolwerk, waar de bloem der natie zich in alle rust kan voorbereiden op een maatschappelijke carrière, heeft de ontlezing in haar meest vernietigende vorm toegeslagen. De Binnenlandse Veiligheidsdienst heeft aanwijzingen dat er onder studenten mp3-files circuleren met alle Potterdelen in gesproken woord. Het griezelige beeld dringt zich op van een student die met gesloten ogen op zijn brits ligt, armen onder het lege hoofd, terwijl een voorleesstem door de speakers van zijn surround sound system Harry Potter ten gehore brengt. Spoel je academische vorming maar door het watercloset.
De Potterlézende student was al kantjeboord. Maar dit luisterde meercellige organisme is voor altijd verloren voor de wereld. De FBI en Scotland Yard zeggen over aanwijzingen te beschikken dat de Pottercreatie niet uit Engeland komt, maar zijn oorsprong vindt in het Tora Bora-gebergte. Er schijnt zelfs een videoband te bestaan waarop de heer Bin Laden, kinderboekenschrijver te Pakistan, met kroontjespen de laatste hand legt aan deel zes van de succesvolle reeks. Intellectueel terrorisme.
Boom
Er was eens een boom, die stond op de campus. Heel, heel lang, wel bijna veertig jaar geleden, schoot hij er zijn eerste worteltje. Studenten bestonden er nog niet, op landgoed Drienerlo. Het groen was ongerept en ons boompje groeide gestaag en ongestoord.
Maar al vroeg in zijn jeugd werd het onrustig om hem heen. Zelf was hij nog te klein om zijn blik over het landgoed te laten glijden. Maar zijn oudere vriendjes zagen steeds meer mensen door de Drienerlose struiken struinen. Eerst met meetinstrumenten en later met graafwerktuigen. En het duurde niet lang of de eerste vriendjes sneuvelden onder de oprukkende shovels en ook scheeld het niet veel of ons boompje werd geschept.
Een paar jaar duurde het geraas en loerde het gevaar. Maar ons boompje groeide door en zag hoe het landgoed tot kenniscampus werd. Vanaf de rand van een prachtig perk keek het boompje uit over de campus en groeide mee met de UT. Niet alleen op eigen kracht, maar mede dankzij de liefdevolle zorgen van zijn Grontmijvrienden, die hem veertig jaar behoedden voor dennenscheerders, schimmels en ander ongemak.
Met de jaren groeiden zijn lengte, zijn blikveld en zijn status, en tegen de kerst van 2001 voelde hij zich in de kracht van zijn leven. Maar op 24 december knakte er iets in hem. Aan zijn voet stond zijn Grontmij-vriend, keek omhoog en zei: 'Ik neem afscheid van je. Ik moet je verlaten, want iemand anders gaat voor je zorgen.' Onze boom, die ooit een boompje was, liet zijn takken zakken en zei niets. Zijn vriend vertrok met trage tred.
Eenzaam en met pijn in zijn hart begon onze boom aan zijn kerst en verzuchtte: 'In mijn boom zullen nooit meer lichtjes branden.'