De man die de universiteiten democratiseerde, is overleden. De vlak voor de jaarwisseling gestorven Gerhard Veringa zette als minister van Onderwijs tussen 1967 en 1971 een stempel op een kwart eeuw universiteitsbestuur. 'Ik wilde de studenten voorblijven.'
Gerhard Heinrich Veringa was pas 43 jaar oud toen hij in 1967 minister van Onderwijs werd. Hij had sociologie gestudeerd in Groningen en New York, was bijzonder hoogleraar in Nijmegen, maar in de politiek was hij een bijna onbeschreven blad. Toch wist hij de universiteiten door de meest roerige periode van hun twintigste-eeuwse geschiedenis te loodsen.
Toen Veringa (lid van de Katholieke Volkspartij) aantrad, werd de universiteit nog regentesk bestuurd, door de hoogleraren en een curatorium van notabelen. Die vermolmde structuur was een van de vele misstanden waartegen de studentenbeweging van die dagen te hoop liep.
Veringa was het met de studenten eens en stelde de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) op. Die schreef voor dat er gekozen faculteits- en universiteitsraden met studenten en personeel kwamen die samen met het college van bestuur de koers uitzetten. Zijn gedachten erover had hij al klaar, toen studenten in 1969 het Maagdenhuis in Amsterdam bezetten. Op de golven van het protest wist hij zijn wet in no time door kabinet en Kamer aanvaard te krijgen.
'Ik wilde de studenten voorblijven', zei Veringa in 1994 in het Amsterdamse universiteitsblad Folia. Maar hij wist precies hoever hij wilde gaan. 'Hoe langer het duurde, des te meer was het gaan borrelen en des te verder had ik moeten gaan. Misschien wel verder dan ik wilde.'
Wellicht is het deels aan Veringa te danken dat de onrust in Nederland minder uit de hand liep dan in Parijs, Berlijn en de Verenigde Staten. Daar vochten de studenten ware veldslagen uit met de politie, in Nederland liepen de betogers slechts schrammen op. 'Ik had het idee dat we geen Parijse toestanden zouden krijgen als we snel waren', aldus Veringa in 1994. 'Het wetsontwerp heeft gezorgd voor kanalisering van de onvrede.'
Maar Veringa's verdiensten beperken zich niet tot het beteugelen van het jaren-zestig-oproer. Want de WUB heeft ruim een kwart eeuw het aanzien van het universiteitsbestuur bepaald. De oud-minister heeft zich dan ook niet zonder reden verzet tegen de gedachte als zou de WUB slechts een onbekookt product zijn van een verwarde tijd.
Natuurlijk, gaf Veringa drie jaar geleden in Vrij Nederland toe, aanvankelijk gingen de universiteitsraden zich wel eens te buiten aan zaken die niets met de universiteit, maar alles met politieke sentimenten te maken hadden. 'Dan werd er weer een motie tegen de oorlog in Vietnam aangenomen. Daar was ik geen voorstander van. Maar dat paste ook bij de tijdgeest van toen. Dat is allang niet meer zo.'
Eigenlijk eindigde het tijdperk-Veringa pas in 1997. Toen voerde toenmalig minister Ritzen een nieuwe wet op het universiteitsbestuur in, de MUB. Die ontnam de raden veel van de bevoegdheden die ze sedert 1970 hadden. Veringa was niet enthousiast, vertelde hij Vrij Nederland. 'De minister heeftde neiging studenten als klanten af te doen die even langs komen om kennis in te kopen. Die daarom geen deel hoeven uit te maken van het bestuur van de universiteit. Maar ik zie studenten als volwaardige deelnemers.'
Veringa was toen al lang niet meer actief in de politiek. In 1971 dwong een ernstige maagzweer hem de politiek te verlaten, een jaar later werd hij lid van de Raad van State. De laatste woensdag van de eeuw overleed hij op 75-jarige leeftijd.