Frans van Vught is deze maand drie jaar rector magnificus. Een dartel en ongeduldig bestuurder - die UT bij het tempo van de tijd tracht te houden - over onderzoek, communicatie, competitie, Stanford aan de Dinkel én zijn eigen aspiraties.
De rector en zijn voorlichter. Frans van Vught aan het ene uiteinde van de tafel, Marcel Kummel aan het andere. Regelmatig kruisen de blikken. Soms schudt de voorlichter nee: nu niet nog meer vertellen. Soms knikt hij ja: dit moet vooral in de krant. Meestal luistert hij alleen maar.
Aan het eind van het interview zegt de rector: 'Dit gesprek is moeilijker. Twee jaar geleden, tijdens het vorige grote interview, praatte ik vrijer, was ik mij minder bewust van gevoeligheden, van de impact die krantenartikelen kunnen hebben.' Toen vond het onderhoud 's avonds plaats. Met glazen goudschuimend bier in plaats van een communicatieadviseur ter ondersteuning van de conversatie.
'Ik heb inderdaad geleerd om voorzichtiger te communiceren. Als bestuurder moet je plannen netjes de organisatie insturen. Je kunt wel roepen: we gaan dit of dat doen, maar als je er niet voor zorgt dat je idee via de officiële kanalen op de juiste plek in het bureaucratische apparaat terecht komt, gaan de radertjes niet draaien.' Dan geschrokken: 'Maar ik praat toch niet als een apparatsjik?'
Jonge hond (de rector is inmiddels 49), leuk, fris, ideeënman, soms ver voor de troepen uit. Van Vught weet dat de meeste mensen op de UT hem als plannenmaker kennen. En niet als iemand die goed is in het stroomlijnen van bestuurlijke processen of het rimpelloos implementeren van beleid. 'Dat vind ik ook niet zo interessant. Collega Schutte is daar veel beter in. Er voor zorgen dat het project volgens de juiste procedure bij het juiste mannetje of vrouwtje terecht komt.'
'Sommige dingen gaan ook gewoon langzaam', verzucht de rector. Zijn plan om een nieuwe categorie assistent-professoren - tussen hoogleraar en universitair hoofddocent in - te introduceren bijvoorbeeld? Daar hebben we sinds de opening van het academisch jaar niks meer van gehoord. 'Ja, precies, dat is zo'n idee wat wel wat sneller gerealiseerd zou mogen worden. Het komt wel, daar niet van, alleen het duurt wat langer dan je wilt.'
'Of om nog iets te noemen', gaat hij verder, 'ik pleit al een paar jaar voor één grote propedeuse-uitreiking. Buiten, op het veld. Vlak na de zomervakantie. De faculteiten voelen daar niet voor. Tja, jammer, maar ik blijf er in geloven.'
Hoewel hij, zegt hijzelf, de afgelopen drie jaar wel meer greep op de organisatie heeft gekregen. 'Veel meer zelfs. Ik denk dat ik vrij goed weet wat deze universiteit is en wat zij kan. What makes her tick, zeggen ze in Engeland. Misschien klinkt dat arrogant, maar zo bedoel ik het niet.'
Van Vught leerde de afgelopen drie jaar mensen 'in hun positie' kennen. 'Als rector krijg je te maken met een enorm apparaat. Dat vermoed je helemaal niet als je uit een faculteit komt. Het duurt toch lang voordat je weet hoe zoiets functioneert. Wie wat doet. Wie waar goed in is. Inmiddels ben ik daar achter. De koers die we nu lopen kan ik redelijkoverzien.' Om die waar nodig bij te sturen? 'Voorzover je een universiteit überhaupt kunt sturen: ja.'
Nou, sommige dingen kun je wel degelijk sturen. De UT startte een telematicaopleiding en kreeg een Student Union. Bovendien introduceerde Van Vught drie jaar geleden met veel aplomb een ingrijpende onderwijsvernieuwing. De invoering van major-minor wekte in eerste instantie veel weerstand. Vooral de faculteiten zetten hun hakken in het zand. Nu, ruim twee jaar later, is het verzet zo goed als verstomd en zijn tal van commissies druk bezig de nieuwe curricula samen te stellen.
Maar nog voor de onderwijsmodernisering goed en wel is afgerond, lanceert het college van bestuur de volgende mega-operatie. Ook het onderzoek op de UT moet beter, vernieuwender, internationaler, intensiever. Met speerpuntprogramma's, potentials, de nota Hoofdlijnen Onderzoeksbeleid en een portfolio analyse van het internationaal vermaarde adviesbureau Arthur D. Little.
En wederom is niet iedereen op de UT gelukkig met de plannen van de rector. WB-hoogleraar Henk Tijdeman uitte eind vorig jaar in UT-Nieuws forse kritiek. De methode waarmee het college het onderzoek wil sturen is volgens hem veel te bureaucratisch. Het succes van faculteiten of onderzoeksinstituten hoef je volgens Tijdeman niet met citatie-indexen of gedetailleerde analyses vast te stellen. Met het tellen van tweede en derde geldstroom aio's kom je al een heel eind. Want als de externe financiering niet twee tot drie keer zo groot is als de interne, is het onderzoek wetenschappelijk niet interessant genoeg.
'Ik ben het daar helemaal mee eens.' De lichte irritatie in de toon van de rector doet anders vermoeden. De voorlichter aan het andere eind van de tafel schudt zachtjes zijn hoofd. 'Dat staat zelfs letterlijk in onze nota. De inverdiencapaciteit van speerpuntinstituten moet honderd procent zijn. Voor elke gulden die wij er extra instoppen, verdienen speerpuntinstituten er één bij. Onderzoeksgroepen die geen geld van buiten binnenhalen, hoeven van de universiteit geen extra financiële middelen te verwachten. Integendeel, die moeten er ernstig rekening mee houden dat ze op den duur helemaal geen middelen meer krijgen.'
Van Vught vindt Tijdemans kritiek dan ook 'een beetje flauw'. 'Het onderzoeksbeleid is helemaal niet bureaucratisch. De portfolio analyse van Arthur D. Little is slechts een meetlat. De methode voorkomt willekeur.'
Van Vught begrijpt best dat wetenschappers zelf prima weten wat in hun vakgebied vernieuwend is en wat niet. 'Maar de kunst is nou juist om de prestaties op het gebied van trillingen en geluid te vergelijken met die op het gebied van zeg, telematica-applicaties. Tussen de verschillende wetenschapsgebieden is de afweging vreselijk veel moeilijker. Daar heb je criteria voor nodig die zo objectiveerbaar mogelijk zijn. Vandaar Arthur D. Little.'
Maar wat heb je aan een met veel moeite bedachte objectieve methode als je toch geen financiële middelen hebt om de wetenschap te sturen? De meeste onderzoeksgelden liggen de komende vijf tot tien jaar toch vast?
'Er ligt nauwelijks iets vast!', reageert Van Vught. 'Per jaar hebben we tien tot vijftien miljoen beschikbaar voor speerpuntonderzoek en potentials. Bovendien reserveren we ook ieder jaar een miljoen extra voor de maatschappijwetenschappen.' Wat de laatste groep betreft, oké. Maar zijn al die extra miljoenen voor de technische faculteiten al niet aan de vier huidige speerpuntinstituten toegezegd? 'Nee! Dat geld willen we de komende tien jaar zo flexibel mogelijk verdelen!'
Flexibiliteit en dynamisering, het zijn de toverwoorden van het nieuwe onderzoeksbeleid. Om de vijf jaar - wat Van Vught betreft zelfs om de drie jaar - worden de speerpunten en potentials geëvalueerd. Voldoet de onderzoeksgroep niet aan de verwachting dan stopt de extra financiering onherroepelijk. Tenminste, dat is de bedoeling. Maar kan een speerpuntdirecteur medewerkers die hij met dat extra geld inhuurt, zomaar terugsturen naar de faculteit waar ze vandaan komen? 'Dat zal niet eenvoudig zijn. Maar het is de consequentie van het nieuwe onderzoeksbeleid. Faculteiten moeten er voor zorgen dat hun personeelsbestand zo flexibel is dat ze onderzoekers van de ene naar de andere onderzoeksprogramma's kunnen schuiven.'
Dat klinkt meedogenloos en dat is het ook. De verharding van de cultuur is onvermijdelijk, vindt Van Vught. 'Zwakkere groepen zullen daar het slachtoffer van worden. De betere profiteren daar van. Dat is precies het beleid. En zo moet het ook zijn.'
En dat allemaal om van de UT een Stanford aan de Dinkel te maken. De rector: 'We hebben met z'n allen de Universiteit Twente nadrukkelijk op de kaart gezet. We zijn een serieuze partner voor heel veel instanties en bedrijven in Nederland geworden. Ik denk zelfs meer dan drie jaar geleden. Ik ben daar heel tevreden over.'
'Maar we zijn er nog niet', voegt hij er meteen aan toe. 'Deze universiteit kan nog heel wat ambitie gebruiken. Want ook al was de mentaliteit een paar jaar geleden nog minder competitief, op het terrein van het onderzoek moeten we nog wel een paar slagen maken. Vooral internationaal kunnen we ons nog veel nadrukkelijker profileren.'
En ook de studenteninstroom moet omhoog. Met maar liefst 10 procent per jaar. 'Dat is inderdaad een zeer ambitieuze doelstelling. Maar het gaat om volumegroei. Niet alleen om de instroom van eerstejaars. Ook HBO-studenten, en buitenlanders die een master willen halen horen daar bij.'
Alleen verloopt de groei langzamer dan verwacht. Is de doelstelling wel realistisch? Zou de rector er bestuurlijke consequenties aan willen verbinden? Zo van: ik stap op als de UT niet genoeg groeit. 'Natuurlijk ga ik voor die tien procent. Maar ik weet ook wel dat het op het randje van het mogelijke is. Dus om daar nou bestuurlijke consequenties aan te verbinden...'
Van Vught is nog lang niet klaar. En met nog een jaar te gaan zal hij al zijn plannen - of hij daar nou bestuurlijke consequenties aan verbindt of niet - nooit kunnen realiseren. Wil hij verder? En hoe dan? Als rector in een collegiaal driekoppig college van bestuur? Of als president van een universiteit?
'Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat een presidentieel model mijn voorkeur heeft. Al lang voordat ik rector was schreef ik - als directeur van het Centrum voor Studies van het Hogeronderwijsbeleid, ook wel Cheps geheten- - al artikelen over de voordelen van een bestuur geschoeid op Angelsaksische leest. Met één president en een aantal vice-presidents, of met één rector en een aantal prorectoren. En met democratische besluitvorming natuurlijk. Waarbij één persoon eindverantwoordelijk is. Dat werkt efficiënter.'
Want nu moeten de drie collegeleden het over alles eens zijn 'We willen voorkomen dat een van ons een minderheidsstandpunt inneemt. Al dat gediscussieer kost veel tijd en trekt een grote wissel op de karakters van de collegeleden. Als er snel gereageerd moet worden is dat extra lastig. Een president kan zeggen: "We hebben niet veel tijd meer. Als nu niemand duidelijk nee zegt doen we het zo." Nu praten we meer.'
Lijkt het je logisch dat er een presidentieel model komt? (De voorlichter schudt van nee.)
'Daar kan ik niks verstandigs over zeggen. Daar kan het college van bestuur geen beslissing over nemen. En de rector magnificus al helemaal niet. Dat is aan de raad van toezicht. Als de RvT geen ander bestuursmodel wil is dat ook een gegeven.'
Je wilt nog wel verder?
'Laten we daar niet flauw over doen. Als men mij zou vragen dan ben ik beschikbaar. Omdat ik - als ik dat zo mag zeggen - vind dat ik nog lang niet klaar ben.'
Dus ook wel als rector in een collegiaal driekoppig college? (De voorlichter kijkt strak voor zich uit.)
'Daar zeg ik niks over. Dat zou ik nu echt niet weten. Als het weer gewoon voor vier jaar zou zijn, zonder uitzicht op veranderingen in het bestuurlijke model, dan weet ik nu niet zeker of ik daar ja op zou zeggen.'
Weet je nu niet zeker...?
'Nee.'
Je twijfelt sterk? (De pen van de voorlichter valt met een droge tik op de tafel.)
'Ja, oké, ik ga nog één stap verder. Ik heb daar grote aarzelingen bij.'
![]()