PB
Prof. dr. Guy Neave brengt de grote zeventiende eeuwse pedagoog Comenius ter sprake, door sommigen wel de 'Galilei van de opvoeding' genoemd. 'Net als hij ben ik een wandering scholar', lacht de Engelsman. In dat lachje klinkt de ironie door waar de vergelijking om vraagt. Niettemin snijdt ze hout: vanaf midden jaren zeventig deed Neave onderzoek naar hogeronderwijsbeleid aan universiteiten in Londen, Parijs, Amsterdam, Göteborg, Berkeley en New York.
Nu dus de voormalige textielstad Enschede. Neave zal hier als visiting professor één week per maand komen - de overige drie zit hij in Parijs, waar hij directeur onderzoek is van de International Association of Universities. In Twente luidt zijn leeropdracht: comparitive higher education policy studies.
Cheps is uiteraard blij met een eminent geleerde als Neave. Maar zijn komst zal ook in bestuurs- en beleidskringen niet onopgemerkt blijven. Neave - geen vreemde voor Frans van Vught, met wie hij samen publiceerde - brengt brede kennis in over de praktijk van onderwijsveranderingen. Met Major-minor, bachelor's-masters en een presidentieel bestuur op de rol, kan dat geen kwaad.
Maar Neave komt niet uit liefdadigheid. 'U moet beseffen', zegt Neave, 'dat Cheps wereldwijd de nummer één of twee is op het gebied van hogeronderwijsstudies. De groep is jong en dynamisch, heeft een uitstekende naam. En een eigen voetbalteam! Wat zegt-ie nou, zult u denken. Toch dat is het geheim van een succesvolle onderzoeksomgeving: een eigen voetbalteam.
'Cohesie, kritische massa, daar draait het om. Slim zijn we allemaal. Maar wat je als eenzame wetenschapper nodig hebt is feedback. Ik heb gemerkt dat je die ontvangt in de wandelgangen, in de kleedkamer, aan de bar - daar krijg je het juiste zetje in de rug. Bij Cheps is dat klimaat bijzonder goed ontwikkeld.'
U heeft veel onderwijssystemen bekeken, op papier en in de praktijk. Hoe ouderwets zijn wij in Nederland met onze doctorandustitel en tweefasenstructuur?
Neave: 'Ouderwets is niet het goede woord. Veel hangt af van hoe je de positie van de student definieert. In Nederland ziet men de doctoraalstudent als een doelbewuste, autonome volwassene, uitstekend in staat om een eigen studieprogramma samen te stellen. Vroeger lieten ze hem ook nog zelf bepalen hoeveel tijd ervoor nodig was. Bij die visie past een langer en vrijer studiepad. Het Duitse systeem, zeg maar.'
'In Engeland en andere short course area's wordt de student beschouwd als een late adolescent. Dus als iemand die begeleid moet worden, die je niet te veel keuzes kunt laten, die je langs een uitgezet parkoers moet leiden. De Engelse student is een jongeling die verlegen zit om advies.'
Welke voorstelling vindt u realistischer?
'In de huidige economische situatie? Korte studies. Neem de student maar aan de hand. Voor sommigen zal het leven zwaarder worden, maar de klok kanniet meer terug. Frankrijk heeft zijn stelsel veranderd, Denemarken. Duitsland zal ook eens om moeten. De wereld is sneller geworden.'
U zegt: Voor de UT hoog tijd om over te stappen op bachelor's-masters?
'Ja. Het zou corresponderen met de trend in Europa. Je ziet dat de steeds meer landen de Britse undergraduate degree overnemen, een diploma dat binnen drie jaar behaald kan worden. Je zet mensen relatief vlot op de arbeidsmarkt - hoewel je ze later zult moeten bijscholen.'
De bachelor's-masters past bovendien binnen de Bolognaverklaring van juni vorig jaar. De Nederlandse regering geeft zo gehoor aan de Europese architectuur voor hoger onderwijs die daarin wordt voorgesteld.'
Die kortere studies hebben ongetwijfeld een negatieve uitwerking op de academische vorming. Bent u niet bang dat de homo universalis zal verdwijnen?
'Natuurlijk. Het staat vast dat bachelorstudies minder academische diepgang zullen bieden. Maar de homo universalis, the allrounded man - die wordt gecreëerd op wat jullie de middelbare school noemen. Daar ontwikkelt een persoon zich werkelijk in de breedte. Tenminste: als men hem of haar een breed pakket aan disciplines aanbiedt.'
Zelf werkt Neave vanuit een brede basis. Van huis uit is hij historicus, promoveerde eind jaren zestig op de Franse politieke geschiedenis tijdens de belle époque, doceerde moderne Europese geschiedenis in Wales.
Hoe raakt een historicus in hogeronderwijsbeleid verzeild?
'Het was 1968, de tijd van de grote studentenrevoltes. Zelfs in de diepte van Wales drong het tot me door dat op het continent iets bijzonders gaande was. Geschiedenis is prima voor je persoonlijke ontplooiing, maar ik vond dat ik iets moest gaan doen voor de maatschappij. Dat werd dus onderwijskunde.'
Is dat geen totaal andere discipline?
'Zou je misschien denken. Toch valt het mee: het overgrote deel van mijn onderzoek heeft een historische grondslag. Het zijn pogingen om recente onderwijskundige ontwikkelingen in een langetermijnperspectief te plaatsen. Ik denk namelijk dat geschiedenis voor beslissers een onmisbaar middel moet zijn om redelijke keuzes te maken.'
'Wil je gefundeerd onderwijsbeleid ontwikkelen, dan kun je niet heen om de geschiedenis van dat onderwijs. Neem uw land: om het Nederlandse stelsel te begrijpen moet je terug naar de vroege 17de eeuw. Toen werden de eerste universiteiten opgericht! Hoger onderwijs is het oudste nog bestaande instituut dat de intellectuele geschiedenis weerspiegelt.'
De Twentse roep om een presidentieel bestuursmodel, hoe plaatst u die in onze nationale geschiedenis?
'Interessante kwestie. Maar je kunt de vraag beter omdraaien. Hoe is het mogelijk dat Nederlandse universiteiten collegiaal besturen, terwijl in het buitenland vrijwel iedereen met één verantwoordelijke man werkt? Nu dan: de Nederlanders zijn een volk van compromissen. Iedereen moet eerst van de ander weten wat die precies wil - wat alle partijen willen. Dan pas kan er onderhandeld worden. Tegenwoordig noemen jullie dat het Poldermodel, maar dat is slechts de moderne term voor iets wat veel dieper in de Nederlandse maatschappij geworteld is. Ik denk dat het collegiale bestuur voortkomt uit die traditie.'
En? Is de UT rijp voor een president?
'Haha. Aan die uitspraak waag ik me niet. Maar men moet het eventueleeffect niet te zwart-wit inschatten. Het is heel wel mogelijk - en ook gangbaar - om één sterke man te hebben, maar toch 'collegiaal' tot besluiten te komen. De president is formeel verantwoordelijk, treedt naar buiten als het gezicht van de universiteit - dat is goed, wenselijk zelfs. Maar ondertussen vaart hij net als de collegevoorzitter of de rector magnificus nu, op het overleg met de mensen om hem heen.'
'Van buitenaf lijkt zo'n president een soort alleenheerser. In werkelijkheid is de macht nog steeds versnipperd. Hij kan met zijn beslissingen best eens iemand tegen de haren in strijken. Maar als-ie dat bij iedereen één keer gedaan heeft, dan zijn de rapen gaar.'
![]()