Laat hoger-onderwijsinstellingen zelf hun collegegeld bepalen

| Redactie

Deregulering, marktwerking en privatisering zijn belangrijke thema's in het beleid van Paars I en Paars II. Zo ook in het beleid gericht op het hoger onderwijs, waar de autonomie van de instellingen in de afgelopen jaren al aanzienlijk is toegenomen en in de nabije toekomst nog verder zal toenemen als het aan minister Hermans ligt. Des te opmerkelijk is het dan ook dat hij zich onlangs in het deba

Deregulering, marktwerking en privatisering zijn belangrijke thema's in het beleid van Paars I en Paars II. Zo ook in het beleid gericht op het hoger onderwijs, waar de autonomie van de instellingen in de afgelopen jaren al aanzienlijk is toegenomen en in de nabije toekomst nog verder zal toenemen als het aan minister Hermans ligt.

Des te opmerkelijk is het dan ook dat hij zich onlangs in het debat met de Tweede Kamer over zijn nieuwe Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP) een tegenstander toonde van het door de instellingen zelf laten vaststellen van het collegegeld. De meerderheid van de Kamer was het daarin met hem eens. Zij wenst "Amerikaanse toestanden", waarbij de beste opleidingen alleen voor rijke studenten toegankelijk zijn, te vermijden. Het CDA-kamerlid Eurlings vond het zelfs geen discussie waard, getuige zijn uitspraak: 'Hier moeten we niet eens discussie over willen voeren, maar gewoon meteen over zeggen: no way'.

Er valt echter veel voor te zeggen om het collegegeld vrij te laten. Maar dan wel op basis van argumenten en niet op grond van vooroordelen. 'Amerikaanse toestanden', zoals gedefinieerd door de Kamer, bestaan niet. Eenieder die over de vereiste kwaliteiten beschikt kan in de VS een opleiding volgen die past bij zijn of haar capaciteiten. Dat de beste universiteiten de hoogste collegegelden vragen betekent nog niet dat daar alleen kinderen van welgestelden studeren. De instellingen z%lf verschaffen beurzen en leningen - zowel vanuit (federale) overheidsmiddelen als vanuit hun eigen vermogens - om het ook voor studenten uit minder kapitaalkrachtige milieus mogelijk te maken om te studeren. Ook in een land als Australi%, waar studenten aanzienlijke leningen moeten afsluiten om hun collegegeld te betalen, is de deelname aan het hoger onderwijs beslist niet gedaald - ook niet onder de sociaal-economisch zwakkeren.

Een eerste argument om instellingen hun collegegeld(en) zelf te laten vaststellen betreft het uitgangspunt dat kwaliteitsverschillen in het collegegeld tot uitdrukking moeten kunnen komen. Tussen gelijksoortige opleidingen bestaan verschillen in kwaliteit. Dat heeft te maken met het verschillen in ambities, capaciteiten en mogelijkheden tussen instellingen. Deze verschillen zullen de komende jaren alleen maar groter worden - instellingen zullen zich willen profileren als de strijd om de student en de beperkte overheidsmiddelen groter wordt. De overheid immers bekostigt alleen een zekere basiskwaliteit en geeft daartoe elke instelling per opleiding eenzelfde subsidie per student. De heersende opinie lijkt echter nog steeds te zijn dat elk diploma of elke opleiding dezelfde waarde bezit, ongeacht de universiteit, respectievelijk hogeschool, die de opleiding verzorgt of het diploma verstrekt. De consequentie van deze opvatting is dan ook dat alle hoger-onderwijsinstellingen op dezelfde grondslag en met hetzelfde collegegeld worden bekostigd. Boven het gegarandeerde minimumniveau zijn kwaliteitsverschillen echter zeer wel mogelijk en ook aanwezig. Dit is ook de belangrijkste bestaansreden voor de al enkele jaren verschijnende Keuzegids Hoger Onderwijs, die kwaliteitsverschillen tussen opleidingen identificeert.

In de tweede plaats kan collegegelddifferentiatie worden gerechtvaardigd door verschillen in kosten en schaarste. Sommige opleidingen (bijvoorbeeld diergeneeskunde) zijn veel duurder dan andere opleidingen (zoals rechten). Kostenverschillen kunnen zich ook voordoen tussen dezelfde opleidingen, bijvoorbeeld op grond van verschillen in opleidingsvorm, lesmethoden of programma-inhoud. Daarnaast zijn bij sommige opleidingen de beschikbare studieplaatsen relatief schaars. Een spanning tussen vraag en aanbod zou weggenomen kunnen worden door aanpassingen in de hoogte van het collegegeld.

In de derde plaats is het een feit dat afgestudeerden van bepaalde opleidingen (bijvoorbeeld accountancy) veel meer verdienen dan afgestudeerden van andere opleidingen (bijvoorbeeld oud-Egyptische letterkunde). Anders geformuleerd: het private rendement van een opleiding kan erg uiteenlopen. Waarom zouden dergelijke inkomensverschillen niet mede in het collegegeldtot uitdrukking kunnen worden gebracht?

Een vierde argument betreft de toegenomen behoefte aan maatwerk bij de studenten (en, op de achtergrond, de arbeidsmarkt). Met de huidige hoge (en nog immer toenemende) participatiegraad en de groeiende diversiteit van de studentenpopulatie is de vraag naar hoger onderwijs ook meer divers geworden. Hierdoor, en door de snelle transformatie van onze economie naar een kennis-gedreven economie, wordt voor de instellingen de noodzaak om maatwerk te leveren steeds groter. Dit pleit voor een grote vari%teit aan opleidingsvarianten - van korte, intensieve cursussen met veel studiebegeleiding, tot varianten waarin werken met leren op afstand wordt gecombineerd en veel gebruik wordt gemaakt van de moderne informatie- en communicatietechnologie voor het overdragen van kennis. Deze veranderingen in de onderwijsvraag vragen een flexibel antwoord van de instellingen, hetgeen met een grotere vrijheid op het gebied van de prijsstelling gepaard zou kunnen gaan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat instellingen met elke student afzonderlijk een contract afsluiten en de keuze bieden uit verschillende begeleidings- en onderwijsvarianten, elk met een eigen collegegeld. Zo zouden voor het volgen van eenzelfde opleiding, afhankelijk van de variant, verschillende tarieven kunnen bestaan.

Een vijfde argument luidt dat instellingen de mogelijkheid moeten hebben om (in hun ogen) tekortschietende overheidsinkomsten te compenseren door een verhoging van hun tarieven. Instellingen zullen hier waarschijnlijk voorzichtig mee om willen gaan daar anders de overheid de hoogte van de subsidies zou kunnen heroverwegen. Tariefstijgingen zullen dus moeten worden beargumenteerd en eventueel met specifiek beleid (bijvoorbeeld met betrekking tot specifieke doelgroepen) gepaard moeten gaan.

Deze vijf argumenten wijzen allemaal op het vergroten van de manoeuvreerruimte voor de instellingen op het gebied van de collegegelden. Dit biedt de mogelijkheid om de huidige vrijblijvendheid in de relatie tussen student en instelling te doorbreken en de "checks and balances" meer te verleggen naar de universiteit of hogeschool. Dat is het niveau waar de interactie - dit is het onderwijs - plaatsvindt; waar de kosten worden gemaakt en de prestaties worden geleverd. Dit alles uiteraard met voldoende garanties voor het waarborgen van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Daartoe zou een faciliteit moeten worden gecre%erd die inhoudt dat studenten het verschuldigde bedrag aan collegegeld eventueel kunnen lenen van een private kredietverstrekker (bank) of een overheidsinstantie. Banken, zo blijkt uit ons onderzoek, zijn duidelijk bereid studenten als klantengroep aan zich te binden en in samenspraak met de instellingen studieleningen aan deze groep van toekomstig hoog-opgeleiden te verschaffen. Eventueel kan de overheid aan studenten uit bepaalde inkomenscategorie%n een subsidie op de rente of een studiebeurs verstrekken.

Voor het versterken van de klant-leverancier relatie kan het nodig zijn om het instellingen ook toe te staan hun studenten strenger te selecteren. In Amerika geschiedt deze selectie vooral aan de poort. In Nederland zijn we wellicht nog niet zover, maar zijn er legio mogelijkheden om deze selectie in het eerste studiejaar plaats te laten vinden, of via voorlichting en prijsstelling een duidelijker beeld van de studie aan potenti%le studenten over te brengen.

Bij dit alles moet één ding echter duidelijk zijn. Ondanks alle moderne marktjargon waarvan politici zich bedienen, is het nog altijd zo dat het huidige collegegeld niet de prijs is van het door studenten genoten hoger onderwijs. Zolang de overheid nog aanzienlijke subsidies aan universiteiten en hogescholen blijft verstrekken is het collegegeld slechts een eigen bijdrage in de kosten. Het is geen weerslag van de opleidingskosten. Het publiek bekostigde hoger onderwijs blijft een pseudo-markt met pseudo-prijzen. Maar de marktwerking kan wel degelijk worden versterkt door de collegegelden vrij te laten. Dit zou ten goede kunnen komen aan de kwaliteit van het stelsel. Laten we elkaar niet bang maken door te spreken van Amerikaanse toestanden en de discussie voeren op basis van argumenten.

De auteurs van deze beschouwing zijn verbonden aan CHEPS (Center for Higher Education Policy Studies, Universiteit Twente) en auteurs van het deze week (bij Lemma) verschenen boek Collegegelden en Studieleningen.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.