UT-Nieuws van 16 februari 1984
Hoewel in 1876 voor het eerst in de wet sprake is van de verstrekking van studiebeurzen, zij het van geringe omvang, moeten we teruggaan tot 1919 voor een eerste discussie over het doel en de aard van de studiefinanciering. In dat jaar verzoekt minister J. Th. de Visser de Kamers der Staten-Generaal om uitbreiding van de studietoelagen. Uit zijn woorden blijkt dat hij twee gronden voor het verstrekken van beurzen ziet, namelijk het belang van de gemeenschap en een zeker gevoel van sociale rechtvaardigheid. 'Niet alleen moet men het als eene onbillijkheid gevoelen dat dergelijke jongelieden louter als gevolg van het onbemiddeld zijn hunner ouders de gelegenheid missen om hunne talenten tot ontwikkeling te brengen, maar bovendien komt het ten nadele der gemeenschap wanneer zij het niet brengen tot de graad van kunde en bekwaamheid dien zij anders hadden kunnen bereiken.'
De reactie van de leden van de Eerste Kamer zou in 1984 niet misstaan: 'Zodra de jongeman in eenige maatschappelijke positie een inkomen heeft boven een zeker minimum, zouden telkenjare van het meer verdiende een bepaald bedrag kunnen strekken tot terugbetaling der vroeger van Rijkswege ontvangen gelden.' Het profijtbeginsel is geboren: de student profiteert van zijn studie en moet deze daarom (deels) zelf betalen. (...)