Uit acht onderzoeksvoorstellen ingediend door de faculteiten uit de maatschappijwetenschappelijke hoek koos de wetenschappelijke raad van de UT eind vorige maand twee potentials en één speerpunt, het eerste in de niet-technische sector. De vier bestaande speerpunten zijn Mesa+, CTIT, Procestechnologie en BMTI. Het programma Besturen in een complexe omgeving van Thomassen krijgt de status van potential omdat het van het van een 'bijzonder hoge kwaliteit en relevantie' getuigt en een unieke plaats in de Nederlandse politicologie en bestuurskunde inneemt. De Raad noemt het voorstel zelfs 'een parel'.
Van der Lindens programma met de titel Educational evaluation and assessment is 'relevant, goed getimed en helder uitgewerkt'. Wel is de wetenschappelijke raad van mening dat het onderzoek vooral op verdieping en specialisering is gericht. De potentialstatus moet dan ook vooral gebruikt worden om het onderzoeksprogramma te verbreden.
Institutional change in the public sector wordt gehonoreerd met de speerpuntstatus. Als Van der Veen het Centrum voor Schone Technologie en Milieubeleid van professor Bressers in de opzet betrekt, zal het speerpunt bijzonder profilerend zijn voor de Universiteit Twente, aldus de raad. Omdat ook het Centrum voor Studies van Hoger Onderwijsbeleid (Cheps) participeert, brengt het onderzoek de drie belangrijkste bestuurskundige domeinen - onderwijs, milieu, sociale zekerheid & zorg - samen.
Met het selectief toekennen van een speerpunt- of potentialstatus aan onderzoeksgroepen wil het college van bestuur het onderzoek op de UT verbeteren. Veelbelovende groepen krijgen drie tot vijf jaar lang extra financiering. Maken ze hun beloften niet waar dan draait het college de geldkraan weer dicht. Speerpunten moeten een grote aantrekkingskracht hebben op jonge onderzoekers, bovengemiddeld publiceren, internationaal aanzien genieten, in andere instituten participeren en een veel tweede- en derdegeldstroomonderzoek binnenhalen. Voor potentials zijn de eisen iets minder streng. Die moeten vooral baanbrekend onderzoek doen.
De wetenschappelijke raad gaf ook een oordeel over de andere ingediende voorstellen. Het sterk academisch georiënteerde onderzoeksprogramma, Science and Technology in culture and society van de hoogleraar techniekgeschiedenis Cohen wordt slordig van opbouw genoemd, maar heeft een uniek karakter. Hoewel het geen speerpunt of potential kan worden, vinden de leden dat het college van bestuur dit programma op een andere manier moet waarderen.
Professor Schellens (TCW) en Van Rossum (TBK) vallen buiten de boot. Het voorstel van Schellens is 'te formalistisch uitgewerkt'. Dat van Van Rossum 'bleek en onduidelijk'.
Bressers (BSK), die ook een onderzoeksplan indiende, moet met zijn programma Governance and science-based expertise in a technological environment aansluiting zoeken bij het nieuwe speerpuntinstituut van Van der Veen. Het onderzoek van De Jong en Van den Akker (TO) over kennisproductie en technologie past volgens de raad prima in het Centrum voor Telematica en Informatie Technologie.
De leden van de wetenschappelijke raad - die allen van buiten de UT komen-baseerden hun advies op de door het adviesbureau Arthur D. Little uitgedachte portfolioanalyse binnen de UT en op oordelen van vermaarde wetenschappers uit de betreffende wetenschapsgebieden.