In 1995 bereikte het aantal promovendi nog een dieptepunt. Het totale aantal assistenten en onderzoekers in opleiding (aio's en oio's) of
beurspromovendi dat in dat jaar van start ging kwam toen uit op 1600, ruim twintig procent minder dan enkele jaren daarvoor. Maar ondanks de gespannen arbeidsmarkt kozen daarna elk jaar weer meer afgestudeerden voor een vierjarig promotieproject. In 1998 kwam dat aantal uit op 2000; dat is
bijna een record.
Het aantal promovendi dat werkelijk na vier jaar zijn proefschrijft verdedigt, blijft intussen op de vingers van één hand te tellen. Enkele jaren geleden klonken al klachten dat zelfs na vijf jaar nog geen veertig procent klaar was. Maar de laatste drie jaar is dit percentage nog iets
verder gedaald, tot 35 procent. Uiteindelijk komt echter nog steeds ruim driekwart van de promovendi tot afronding.
De toename van het aantal promovendi doet zich in vrijwel alle vakgebieden en bij vrijwel alle universiteiten voor. In Groningen, bij de VU en in Twente is de stijging het sterkst (meer dan 50 procent in drie jaar). Alleen Wageningen en Tilburg laten een daling zien.
Het tempo van de aio's ligt het hoogst in de exacte en economische richtingen en veel lager bij letteren, rechten en sociale wetenschappen. De sterkste daling van het tempo bij promoties is er in Wageningen (nu 9% klaar in 5 jaar), Nijmegen (17%) en Delft (34%). De grootste sprong voorwaarts maken Maastricht (nu 40%), Twente (nu 60%), Leiden (38) en de
VU (34).