Universiteiten en hogescholen hebben veel te veel vrijheid om naar eigen goeddunken geld op te potten, te lenen en te beleggen. Dat zegt de Algemene Rekenkamer. Maar minister Hermans is het daar niet mee eens.
Er bestaat geen enkele regel over de omvang van de vermogens van universiteiten of hogescholen. Ten onrechte, schrijft de Rekenkamer in een rapport dat deze week verschijnt. Er zou tenminste een onder- en bovengrens aan vermogens gesteld moeten worden.
Eind 1998 hadden de universiteiten een eigen vermogen van ruim vijf miljard gulden. Volgens een eerder onderzoek in opdracht van minister Hermans en de universiteiten zelf is dat 1,6 miljard te weinig. De Rekenkamer laat zich daar echter niet over uit.
Wel laat de Rekenkamer een algemene waarschuwing horen: bij omvangrijke vermogens kan een hogeschool of universiteit overheidsgeld oneigenlijk gebruiken. Maar ook te kleine vermogens zijn riskant, omdat onvoorziene uitgaven dan niet kunnen worden gedekt.
De Rekenkamer is ook slecht te spreken over het feit dat veel hogescholen en universiteiten niet kunnen aangeven welk deel van hun vermogen opgebouwd is uit overheidsgeld en welk deel verdiend is op de vrije markt voor onderzoek en onderwijs. Daardoor dreigt het gevaar dat overheidsgeld `weglekt' naar commerciële activiteiten.
Ten slotte verbaast het de Rekenkamer ook dat er geen regels zijn over lenen en beleggen. Steeds meer universiteiten en hogescholen doen dat, en de Rekenkamer vindt dat in elk geval de risico's van beleggen door overheidsregels beteugeld moeten worden.
De Rekenkamer heeft nog geen aanwijzingen gevonden dat het nu al mis gaat met het financieel beheer van universiteiten en hogescholen. Drie universiteiten (Leiden, Utrecht, Delft) werden nauwkeurig onderzocht. Die doen niets onoirbaars, maar hun vermogensbeleid is moeilijk te doorgronden, omdat heldere analyses ervan ontbreken.
In hun beleggingen houden veel hogescholen en universiteiten het bij veilige obligaties, zo blijkt uit een inventarisatie van de Rekenkamer. Slechts vier universiteiten (Twente, Erasmus, Nijmegen en Groningen) en één hogeschool (Fontys) belegden in 1997 in relatief riskante aandelen. Maar tot rampen heeft dat niet geleid.
In een reactie op het concept-rapport van de Rekenkamer heeft minister Hermans al laten weten niets te voelen voor extra regels. Dat past niet in zijn beleid om het hoger onderwijs zoveel mogelijk autonomie te geven. Meer regels beperken de slagvaardigheid, denkt Hermans.