'Student zal beslissen of major-minor een succes is'

| Redactie

Wat kost het en hoelang duurt het nog? Dat is de kouwe kant van major-minor. Stuurgroepvoorzitter Cees van Vilsteren praat liever over de inhoud. 'Hoe maak je een minor interessant voor een grote groep studenten? Daar ligt de uitdaging!' 'Als major-minor slaagt, dan heeft de instelling een enorme prestatie geleverd.' Dr. Cees van Vilsteren, voorzitter van de stuurgroep die het invoeringstraject be

Wat kost het en hoelang duurt het nog? Dat is de kouwe kant van major-minor. Stuurgroepvoorzitter Cees van Vilsteren praat liever over de inhoud. 'Hoe maak je een minor interessant voor een grote groep studenten? Daar ligt de uitdaging!'

'Als major-minor slaagt, dan heeft de instelling een enorme prestatie geleverd.' Dr. Cees van Vilsteren, voorzitter van de stuurgroep die het invoeringstraject bewaakt, weet waaraan de UT begonnen is: aan een ambitieuze, loodzware klus.

Een week geleden presenteerde zijn stuurgroep een tussenrapportage over de invoering van het onderwijsconcept, gebaseerd op uitvoerige visitaties aan alle faculteiten. Middels interviewsessies met decanen en opleidingsdirecteuren bracht de stuurgroep gedetailleerd in kaart hoe de zaakjes ervoor staan.

Van Vilsteren: 'Het is nu tweeënhalf jaar geleden dat de rector magnificus zijn major-minorplannen voor het eerst kenbaar maakte. September 1998 heeft de Centrale Commissie Onderwijs de zaak opgepikt en zichzelf verantwoordelijk gesteld voor de invoering. Ik denk dat we aardig op schema liggen.'

Dat boezemt enig vertrouwen in. Van Vilsteren is staflid van Toegepaste Onderwijskunde. Specialisme: innovatiemanagement in het onderwijs. 'Van start tot eind', stelt hij, 'duurt het ongeveer zeven tot acht jaar voor majeure onderwijsvernieuwingen volledig ingeburgerd raken. Dat was op nationaal niveau zo met de Mammoetwet, en zolang zal het Studiehuis ook vergen.'

Met andere woorden, zegt Van Vilsteren: 'Trek voor major-minor gerust nog maar zes jaar uit.' Dan zitten we dus in 2006, en hebben de eerste Mn-studenten al lang en breed een baan. 'Toch kun je pas dan zeggen of de operatie geslaagd is. Of dat ze mislukt is, natuurlijk.'

Wat zijn de criteria voor succes? Aanvankelijk leek geestelijk vader Van Vught vooral te mikken op meer studenten. Major-minor zou de kip met de gouden eieren zijn. 'Gelukkig hoor je hem daar niet meer over', glimlacht Van Vilsteren. 'Dat was te optimistisch.'

'Wie weet werkt het concept wervend - laten we het hopen - maar je kunt er niet op in zetten. De studenteninstroom is afhankelijk van zoveel verschillende factoren. Hij had waarschijnlijk het succes van Maastricht in z'n achterhoofd.' Midden jaren tachtig voerde deze universiteit het problem based learning in, en oogstte niets dan lof én studenten.

'Maar je vergelijkt natuurlijk appels met peren. Bovendien heeft Maastricht de zaak zeer gefaseerd aangepakt. Als ik me niet vergis zijn ze begonnen bij geneeskunde. Dat werkte perfect. De andere faculteiten kwamen er achter aan. De grap is dat dat meestal slappere versies oplevert, minder doorwrocht, halfslachtiger vaak. Lachend: 'Maar zo'n eerste succes wordt onthouden hè.'

Thematisch

De UT voert major-minor in één keer in - instellingsbreed. 'Dat betekent nogal wat', zegt Van Vilsteren. 'Om te beginnen logistiek. Je moet je eens indenken: studenten die nu gewoon vakken volgen binnen de eigen faculteit, mogen straks voor een minor overal aankloppen.'

'Verrooster dat maar eens! Als er veertig van die bijvakken worden aangeboden, wat een reële schatting is, dan krijgt elke minoraanbieder gemiddeld te maken met acht tot tien studenten. Dat wordt dus een mierenhoop.'

Maar zelfs mierenhopen kennen strikte orde. 'Ik geloof ook dat het kan', geeft hij onmiddellijk toe. 'Jan Schreuder, medewerker van TW, buigt zich over de verroostering. Het is een enorme wiskundeopgave. Saillant detail: Schreuder doktert ook de speelschema's voor de PTT-telecompetitie uit.'

Het adequaat inrichten van de minors, daar ligt volgens Van Vilsteren de echte uitdaging. 'Het is geen kunst om één student een geslaagde paradigmashift te laten maken: je dompelt hem een half jaar onder in een vakgebied dat hem wezensvreemd is. Je laat hem op niveau intensief kennis maken met een andere discipline. Tot zover geen echte problemen.'

'Maar wat als er tien studenten met totaal verschillende achtergronden hetzelfde bijvak gaan volgen? Waar leg je dan de lat? Hoe moeilijk, hoe makkelijk, hoe specialistisch mag zo'n minor zijn? Dat zijn hele moeilijke zaken.'

Neem bijvoorbeeld het bijvak Luchtvaarttechniek van werktuigbouwkunde. De faculteit, zo staat in de tussenrapportage, heeft bedongen dat ook eigen studenten die minor mogen volgen. Maar kan zo'n bijvak tegelijkertijd interessant zijn voor doorknede wb-ingenieurs én TCW'ers die van vliegtuigen houden? Je zou denken van niet.

Tam-tam

'Toch moet het', zegt Van Vilsteren. 'De CCO zal erop toezien dat de minors zo toegankelijk mogelijk worden voor de grote groep. Wij gaan ze inhoudelijk accrediteren. De ontwikkelaars in de faculteiten zullen zich voortdurend moeten verplaatsen in de vermogens van de doelgroep.'

'Men heeft de neiging minors thematisch op te zetten. Om één behapbaar probleem uit het vakgebied te lichten. Dat klinkt goed, vind ik. Een student rondt dan in 21 studiepunten iets concreets af. Zijn bijvak heeft kop en staart.'

Of major-minor daadwerkelijk slaagt, bepaalt uiteindelijk de student, denkt Van Vilsteren. 'De instelling verandert in een glazen huis. Studenten gaan elkaar uiteraard adviseren over de minors die ze kennen. Er ontstaat binnen de kortste keren een tam-tam. In de sfeer van: dat vak is goed, moet je volgen, maar daar bij -vul maar wat in- maken ze er een puinhoop van.'

Slechte minors zullen met andere woorden niet overleven. De ontwikkeling van de majors werpt eerder een schaduw vooruit. Van Vilsteren: 'De majors hebben een opschonende werking. Ik bedoel dit: de hoofdvakken hoeven niet vanuit het niets te worden ontwikkeld, feitelijk zijn het aangepaste doctoraalprogramma's. Ze bestonden grofweg al.'

'Je merkt dus dat faculteiten gedwongen worden hun specialisaties opnieuw kritisch onder de loep nemen. Dat vind ik een aardig neveneffect. En passant frist de invoering van Major-minor het hele onderwijs op. Dat is nooit verkeerd.'

Cees van Vilsteren: ...loodzware klus...

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.