Promovendi: recht op werknemersstatus

| Redactie

1.500 hoogleraren, universitair hoofddocenten en anderen hebben de stelling ondertekend dat alle promovendi recht hebben op de werknemersstatus. Het Landelijk Overleg BeursPromovendi hoopt hiermee af te dwingen dat de VSNU definitief een einde maakt aan het 'bursalenstelsel' voor promovendi. De afgelopen weken hebben we in het lager, voortgezet en hoger onderwijs kunnen zien wat de gevolgen zijn v

1.500 hoogleraren, universitair hoofddocenten en anderen hebben de stelling ondertekend dat alle promovendi recht hebben op de werknemersstatus. Het Landelijk Overleg BeursPromovendi hoopt hiermee af te dwingen dat de VSNU definitief een einde maakt aan het 'bursalenstelsel' voor promovendi.

De afgelopen weken hebben we in het lager, voortgezet en hoger onderwijs kunnen zien wat de gevolgen zijn van het feit dat het bedrag dat de Nederlandse regering aan onderwijs en wetenschap besteedt, ruim onder de OESO-norm van vijf procent van het BNP blijft steken. In het lager onderwijs worden kinderen naar huis gestuurd bij gebrek aan onderwijzers, in het voortgezet onderwijs is 51 procent van de leraren bereid te staken tijdens de eindexamens, in het HBO voeren studenten actie onder de leuze 'niet korten, maar storten' en op de universiteiten dwingen promovendi met stakingen extra toelagen af. Hoewel veranderingen in het onderwijs worden gepresenteerd als inhoudelijke verbeteringen, blijken die dikwijls niets anders te zijn dan verkapte bezuinigingen. Op universitair niveau is het zogenaamde 'bursalenstelsel' voor promovendi een van de meest pregnante voorbeelden van een dergelijke praktijk. Het bursalenstelsel is sinds 1995 op verschillende armlastige faculteiten van Nederlandse universiteiten ingevoerd. Het was een maatregel om af te komen van de wachtgelden, die uit de hand gelopen waren door een slecht beheer van het het aio-stelsel. In plaats van inhoudelijk iets te doen aan de oorzaken van termijn-overschrijdingen van promovendi, is gekozen voor symptoombestrijding ten koste van de zwakste groep werknemers van de universiteit. Inmiddels is onder de pressie van acties en rechtszaken het stelsel grotendeels afgeschaft op de UL, VU, EUR, UU, KUB en RUG. Niettemin bestaat het nog volop aan de UvA en zijn er nog 'lopende gevallen' en uitzonderingsclausules (o.a. voor buitenlanders) aan de UU, KUB en EUR. Bursalen zijn in formele zin geen werknemer van de universiteit, maar krijgen een beurs voor vier jaar. (De hoogte van de beurs is gemiddeld minder dan f 3.000 bruto p.m., afhankelijk van de faculteit.) Bursalen betalen belasting - inclusief sociale premies - maar bouwen geen pensioen en arbeidsjaren op, hebben geen recht op wachtgeld, vakantiegeld, eindejaars-uitkering, WW, WAO, ziektekostenvergoeding, enz. Bovendien hebben zij geen formele medezeggenschap en kunnen ze niet vertegenwoordigd worden door de vakbond. Beurspromovendi hebben dus geen rechtspositie.

Het bursalenstelsel is voornamelijk goedkoop voor de universiteit. Maar de UvA meent het nog steeds inhoudelijk te kunnen verantwoorden. Zij stelt: i) de beursovereenkomst is te vergelijken met een stage; ii) de promotiestudent verricht niet of nauwelijks productieve arbeid; iii) hij/zij is in opleiding en uitsluitend met en voor zichzelf bezig; iv) bursalen geven geen verplicht onderwijs en zijn dus niet vergelijkbaar met aio's; v) in het buitenland zijn promovendi ook student.

De eerste twee uitspraken behoeven eigenlijk geen repliek: stages van vier jaar bestaan niet en sinds wanneer zijn proefschriften en andere wetenschappelijke publicaties geen productieve arbeid? Het argument van 'opleiding' is een gelegenheidsargument: iedereen die bij instelling of bedrijf begint te werken is in de praktijk ook in opleiding. In plaats van te korten op het salaris trekken werkgevers juist extra geld uit om hun werknemers te laten bijscholen. Wat betreft het vierde punt: maximaal 15 % van hun tijd moeten aio's aan onderwijs besteden. Zij zijn echter geen 85 % bursaal, maar 100 % werknemer van de universiteit. Daarnaast geven de meeste bursalen in de praktijk wel onderwijs, want zonder onderwijservaring kan men een vervolgcarriere wel vergeten. Over de vergelijking met het buitenland, tenslotte, valt een boek te schrijven, maar kort gezegd geldt dat onsonderwijssysteem in gunstige zin niet vergelijkbaar is met veel buitenlandse. Het niveau van de proefschriften is relatief hoog. Bovendien kennen veel landen, inclusief de Verenigde Staten, een veelheid aan promotiestelsels (niet alleen maar een beurssysteem) en relevante andere omstandigheden. Veel zaken zijn in Nederland nu eenmaal beter geregeld dan in het buitenland; dus zolang ons land geen armoedeval maakt is er geen reden voor het overnemen van buitenlandse wantoestanden.

Het ongelimiteerd toelaten van arbeidsmarktwerking op promovendi leidt tot zeer ongelijke situaties: de promovendus-met-bonus (o.a. op de technische universiteiten) heeft een besteedbaar inkomen dat bijna twee maal zo hoog is als dat van zijn collega-beurspromovendus (veelal te vinden in het fundamenteel en/of alfa-onderzoek). Minstens zo belangrijk als de precieze hoogte van het salaris is een fatsoenlijke rechtspositie. Universiteiten moeten alle promovendi een redelijk minimum kunnen garanderen en de werknemersstatus maakt daarvan deel uit.

Om steun te krijgen voor het idee dat alle promovendi in ieder geval de werknemersstatus zouden moeten hebben, heeft het Landelijk Overleg BeursPromovendi een grootschalige petitie georganiseerd. De respons daarop was zeer groot: bijna 500 hoogleraren en meer dan 800 universitair (hoofd)docenten en andere wetenschappers uit heel Nederland hebben deze stelling ondertekend. Daarnaast ondertekenden 160 onderzoeksinstituten, onderzoeksscholen, vakgroepen, studierichtingen, enz. de petitie. In deze tijd van miljardenoverschotten op de rijksbegroting, waarin aio's terecht om afschaffing van de korting op hun salarissen vragen, is de dubbele achterstelling van bursalen, zowel financieel als wat betreft hun rechtspositie, een van de wrangste voorbeelden van de gevolgen van het schrale onderwijsbeleid van deze regering. Wij pleiten voor bescherming van het fundamenteel en/of alfa-promotie-onderzoek tegen de marktwerking en tegen gedrochtelijke redeneringen als die van de UvA, door in ieder geval alle promovendi de werknemersstatus te verlenen.

Mark de Vries (voorzitter van het Landelijk Overleg BeursPromovendi), Yolande Jansen, Arjan Poelwijk, Dirk van Miert (bestuur LOBP).

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.