In het instellingsplan 2000 - 2005 bezigt het CvB ferme taal als het om onderzoek gaat. 'Waar in het verleden sprake is geweest van een ongebonden en evolutionaire ontwikkeling van onderzoeksgebieden, zal de komende periode zich kenmerken door selectiviteit. Externe ontwikkelingen maken dat onvermijdelijk.' De UT moet in 2005 dertig miljoen bezuinigen. Maar vooral de concurrentie in het internationale onderzoeksveld maakt schifting noodzakelijk.
Eén van de meetlatten waarmee het college van bestuur de goeden van de slechten gaat scheiden heet verdiencapaciteit. Het getal is gedefinieerd als de tweede plus derde geldstroom als percentage van de eerste geldstroom. Of met andere woorden: de hoeveelheid geld die onderzoeksgroepen van buiten halen, afgezet tegen het bedrag dat ze rechtstreeks uit de UT kas krijgen.
Voor 'gewone' onderzoeksgroepen dient de verdiencapaciteit de komende jaren van 40 naar 50 procent te stijgen. Wetenschappers die meedoen aan een speerpuntprogramma moeten het geld wat ze van de UT krijgen na vijf jaar allemaal van buiten halen. In ambtenarenjargon heet dat: 'Van speerpuntonderzoek wordt verwacht dat het de additionele middelen die van de universiteit worden ontvangen binnen de gestelde periode van het onderzoekprogramma (veelal vijf jaar) zal kunnen omzetten in exogene bekostiging (tweede en derde geldstroom).'
De UT telt al een aantal jaren vier technische speerpunten en sinds kort eentje uit de maatschappijwetenschappelijke hoek. Over die laatste zijn nog geen cijfers bekend. Maar van de technische speerpuntprogramma's haalt alleen het centrum voor communicatie en informatie technologie (CTIT) op dit moment ruimschoots de honderd procent. Mesa+ verdiende in 1998 net 67 procent. Terwijl ze in 1999 officieel net boven de 30 procent uitkomt. Volgens Kees Eijkel, de wetenschappelijk directeur van Mesa+, is dat percentage zo laag omdat veel tweede en derde geldstromen tot voor kort nog via de betrokken faculteiten lopen. Zelf komt hij uit op een percentage van iets meer dan 80 procent. 'Maar dat wordt de komende jaren vast nog meer.'
Ook over de cijfers van de andere speerpunten bestaat onduidelijkheid. Ook BMTI en PIT kunnen nog niet zeggen hoe groot hun verdiencapaciteit is omdat de geldstromen nog via de faculteiten lopen.