Welke studenten mogen straks Master of Science voor hun naam zetten? Wat is een professional master? Dat soort vragen voert helaas de boventoon in de discussie over het Angelsaksische model, meent de VSNU. 'We hebben het alleen maar over titels. Er gaat zo kostbare tijd verloren', zegt Eric Bleumink. Hij is waarnemend voorzitter van de VSNU, in afwachting van de opvolger voor de inmiddels vertrokken Rien Meijerink. Tot voor maakte Bleumink deel uit van het college van bestuur van de Groningse universiteit. Bleumink wil het omdraaien. 'Laten we eerst vaststellen welk onderwijs hoort bij de bachelor-masterstructuur. Wat is daarvan het gewenste niveau? Dan kunnen we het later wel eens hebben over de diploma's en de titels die daar bij passen', zegt hij.
De universiteiten willen snel overstappen op het Angelsaksische model. Daarin sluiten studenten een brede basisopleiding af met een bachelorexamen. Wie een mastertitel wil halen, moet zich daarna nog een of twee jaar specialiseren. Met zulke diploma's op zak hoeven Nederlandse studenten nooit meer in het buitenland uit te leggen wat een doctorandus is.
In juni kreeg minister Hermans advies van de commissie-Rinnooy Kan hoe hij het Angelsaksische model het beste kan invoeren. Die adviezen kan Hermans zo overnemen. Moet hij overnemen, vindt Bleumink zelfs. 'Het zou niet wijs zijn als Hermans zegt: ik doe het anders.'
Maar de minister moet wel haast maken met de accreditering. Anders gaat iedereen naar eigen inzicht maar wat doen. Daarom moet Hermans volgens Bleumink liefst vandaag nog accreditatieraden benoemen, die bepalen wat het niveau moet zijn van de bachelor- en een masterfase. Diezelfde raden moeten later per opleiding controleren of dat niveau wordt gehaald. Luidt het antwoord nee, dan hoeft Hermans de opleiding niet langer te bekostigen. Als het niveau wel in orde is, krijgt de opleiding een keurmerk. Ook commerciële instituten moeten zich aan deze controle onderwerpen.
'Zonder zulke afspraken wordt het vloerkleed onder ons vandaan getrokken', verwacht Bleumink. 'Dan vraagt het buitenland wat we in hemelsnaam aan het doen zijn. En de werkgevers, maar ook de studenten zelf, willen natuurlijk ook weten wat de waarde van onze opleidingen is.'
Nederland moet goed kijken naar het niveau van de opleidingen in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Scandinavië. 'De gemene deler die dat oplevert, moet je uitgangspuntzijn', doceert Bleumink. Het heeft volgens hem geen zin om de Verenigde Staten als voorbeeld te nemen. 'Daar loopt het niveau te zeer uiteen. Je hebt er uitmuntende universiteiten, maar ook die te vergelijken zijn met ons mbo. Het onderwijsstelsel daar is ook totaal anders dan het onze.'
In de landen die Bleumink noemt, duurt een masterstudie inclusief de bachelorfase vijf jaar. In Nederland duren de meeste opleidingen vier jaar. De universiteiten kunnen dat gat niet vullen zonder extra geld van minister Hermans, vindt Bleumink. 'Je kunt niet verlangen dat het Nederlandse hoger onderwijs internationale aansluiting realiseert zonder er geld bij te doen.'
'Door bezuinigingen is het onderwijs en onderzoek aan universiteiten de afgelopen decennia in de verdrukking gekomen. Ook de bekostiging in het hbo loopt ver achter. Als we de internationale competitie willen aangaan, moet Hermans daar iets aan doen. Je kunt niet de lat erg hoog leggen en tegelijk zeggen: zoekt u het financieel verder zelf maar uit.'
Hoeveel geld erbij moet, wil Bleumink niet zeggen. 'Maar het zou mij niet verbazen dat uit internationale vergelijkingen zal blijken dat er eerder 25 procent bij moet dan vijf.' De kans dat universiteiten dat geld daadwerkelijk krijgen, is echter minimaal. Bleumink weet ook wel dat de basisscholen en het voortgezet onderwijs voor gaan. 'De noden zijn daar ook hoog. Maar moet je het hoger onderwijs dan maar verwaarlozen? Straks kunen scholieren wel een goede start maken, maar is een goede finish in het hoger onderwijs niet meer mogelijk.'
![]()
VSNU-voorzitter E. Bleumink: ...als we de internationale competitie willen aangaan, moet er geld bij...'