Studenten hebben lol in besturen. Geen club zo klein of er is pluche. Voorzitters, vice-voorzitters, rectoren, pro-rectoren, penningmeesters, ab actussen, assesoren, commissarissen - soms lijkt het alsof de ene helft van de studentenpopulatie zetelt in een bestuur dat zorgt voor het vertier en vermaak van de andere helft.
Wat ooit begon als een studentikoze parodie op de burgermaatschappij heeft gaandeweg een ernstiger, zeg maar maatschappelijk karakter aangenomen. Vroeger stak het studentenbestuur de draak mét. Vroeger liep een corpsstudent in doodgraverskrijtstreep het academiegebouw in om zijn universitaire bazen te parodiëren. Gaudiamus igitur zongen zijn vriendjes.
Tegenwoordig hijst hij zich in apenpak in de hoop het zélf ooit zo ver te zullen schoppen. De parodie is verworden tot een imitatie. De student van nu hanteert de voorzittershamer om te oefenen voor straks, als hij zijn opwachting maakt in de burgermaatschappij.
Vroeger ging een student zitten óf aan een bureau óf aan de bar, tegenwoordig is daar de overlegtafel ontegenzeggenlijk bijgekomen. De politiek en het bedrijfsleven hebben de jonge academicus met maatschappelijke ambities er toe gedwongen zich al tijdens zijn studie te ontplooien tot een sociaalvaardig en diplomatiek lid van de samenleving die hem wacht. In sommige kringen wordt netwerken al tot de academische vaardigheden gerekend.
Is daar iets mis mee? Op zichzelf niet. Maar veel keuzevrijheid wordt de jonge mens niet gegund. Wie bedankt voor plichten naast zijn studie, krijgt op de arbeidsmarkt de rekening gepresenteerd. Een cv zonder bestuurtje daar of hier is als een centrale verwarming zonder warm water.
Wie wél tekent voor een jaartje regelwerk, bezwijkt haast onder de studielast die hij voor zichzelf creëert. De prestatiebeurs zweept de actieve student op tot schier onwaarschijnlijke hoogten: een jaar ontplooien betekent in werkelijkheid vier jaar nominaal studeren. Want we moeten wel allemaal op tijd klaar zijn natuurlijk.
Je hebt pluche en pluche. Voorzitter zijn van een kleine vereniging is aardig, maar een grote club zet pas echt zoden aan de dijk. Volgens die redenatie ben je als UT-student het best af als bestuurder van de Student Union. Voor niet-ingewijden: de Student Union is sinds twee jaar het overkoepelende orgaan voor alles wat aan de UT te maken heeft met activisme.
Het bestuur van deze koepelorganisatie faciliteert, financiert, en stuurt elke studentenorganisatie - van studievereniging en theatergezelschap tot sportclub en gezelligheidsvereniging - op afstand aan. De studentbestuurders overleggen met het college van bestuur, diensthoofden, en alle voorzitters van verenigingen. Ze bepalen (mede) het beleid voor feesten en partijen, maar ook voor miljoenenprojecten als de verbouwing van de Bastille.
Toch kampt juist de Unionbestuur met personele tekorten. Het gaat zijn derde jaar in met vier bestuurders, twee minder dan het gewenste aantal.
Hoe kan dat?
Frank Engel, sinds een week Unionbestuurder af, is in het bezit van een lijstje met welgeteld negen mogelijke oorzaken en oorzaakjes. De belangrijkste reden die hij aanvoert, hangt samen met het keurslijf van de prestatiebeurs. 'Om succesvol te kunnen zijn in het Unionbestuur is ervaring vereist', zegt hij. Zelf was Engel voor hij aan zijn Unionjaar begon voorzitter van gezelligheidsvereniging Taste.
'Pas als je weet hoe een vereniging van binnenuit gemanaged wordt, wat er leeft in zo'n club, kun je op een hoger plan aan het werk. Maar dan ben je wel al een jaar verder. Wie durft daarna nóg een jaar te besturen in plaats van z'n studie op te pakken? Dat zijn er maar weinig.'
Hóe weinig merkten Engel en zijn medebestuurders de afgelopen maanden. Vier zetels had de Union vacant, slechts twee werden met moeite opgevuld. 'Er waren maar drie kandidaten', geeft hij toe. 'Eén vonden we er niet geschikt. Maar onze kwaliteitseisen hebben we niet laten varen.'
Een andere reden die Engel noemt is het voorlopige gebrek aan status. 'We zijn niet gaaf genoeg, als je begrijpt wat ik bedoel. We hebben tamelijk wat negatieve publiciteit gehad, ingezonden brieven van mensen die bang zijn voor veranderingen, maar wat lastiger is: we missen een tastbare achterban. Studenten die letterlijk zien wat je voor ze doet, die je voor mijn part toe kunt spreken in een zaal.'
En ze daarna bier kunt geven, zodat het toch nog gezellig wordt. Daarmee lijkt de cirkel rond. Studentenbestuurders mogen de burgermaatschappij dan niet meer vrijblijvend imiteren, de uitvergroting zit ze in het bloed. Want wie in een bestuur gaat wil het liefste toegezongen worden.
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()