De Volkskrant baseert zich op de uitslag van een enquête die het NIPO in opdracht van de krant afnam onder 428 eerstejaars. Op twee gangbare veronderstellingen is, zo blijkt uit de enquête, wel wat af te dingen: dat de student zich ontpopt als een kritisch onderwijsconsument, en dat de hogescolen en universiteiten zich inhoudelijk steeds meer van elkaar onderscheiden. Gesteld dat het hoger onderwijs zijn eenvormigheid verliest, ontgaat dat de studenten volkomen. Bijna de helft meent dat de instellingen in kwalitatief opzicht hoegenaamd niet voor elkaar onderdoen, aldus het artikel.
Op hun loopbaanperspectieven heeft de kwaliteit van een opleiding bovendien geen enkele invloed, denkt bijna eenderde van de eerstejaars. Redenen om warenkennis te vergaren zijn er dus niet.
De meesten doen op hun zoektocht naar een geschikte opleiding slechts één universiteit of hogeschool aan. 70 Procent van de respondenten kan zich niet herinneren ooit een reclame-uiting van een onderwijsinstelling onder ogen te hebben gehad, zo blijkt uit dec enquête.
Van degenen die wel studie van hun opleiding hebben gemaakt, noemt ruim een kwart de Keuzegids Hoger Onderwijs als belangrijkste informatiebron. De meerderheid gaat bij schooldecanen, leraren, familie, vrienden of bij de instellingen zelf te rade.
De enquête duidt verder op een groot cultuurverschil tussen universiteit en hogeschool. Zo vormt het 'op kamers gaan' voor de meeste wo-studenten nog altijd een grote attractie, terwijl de hbo'ers overwegend bij hun ouders blijven wonen, aldus de Volkskrant. Voor de eersten speelt de ambiance van de stad een relatief belangrijke rol bij de studiekeuze. De hbo'ers zien het vertier als bijzaak. De meesten van hen menen dan ook genoeg te hebben aan de hun toegewezen studieduur (vier jaar). Van de aankomende academici daarentegen meent meer dan de helft niet met de 'officiële speeltijd' uit de voeten te kunnen.