Over en Sluiten

| Redactie

Zelfs het wennen went. Maar toch zal het wel wennen worden. Van de mensen die we het vaakst zien, zien we hem het vaakst. Vaker dan we ouders, vrienden en huisgenoten ontmoeten. Vaker zelfs dan we onze Grote Liefde treffen. Hoewel we haar de laatste tijd minstens een keertje of drie in de week tegenkomen.

Waarde collega 1

Eigenlijk zijn we collega's, en eigenlijk wonen we samen. Voor vier dagen in de week, al drie jaar lang. Maar wel voornamelijk van achteren en van opzij. Vroeger draaiden we ons nog wel eens tegelijkertijd om. Voor een praatje. Nu roept de een aan het eind van de woensdagmorgen zonder zich van zijn beeldscherm af te wenden: 'Heb je al een onderwerp voor Over en Sluiten?' De ander antwoord gestaag doortikkend: 'Neuh, of, wacht, misschien wel ja.'

Voor zijn stress zijn wij inmiddels ongevoelig. Maandagmiddag zuchtend: 'Ik moet wat doen.' Dinsdag kreunend: 'Ik ga nu wél aan het werk.' Een uurtje later zenuwachtig: 'Ik heb het echt vreselijk druk.' Met als hoogtepunt op woensdag-deadlinedag: 'Nog drie stukken, een Mens en Werk en een Over en Sluiten. Ja joh, jaaa, dat red ik makkelijk.'

Zijn collaboratie met het brallende en bierdrinkende deel der studentenpopulatie, we plaatsen het inmiddels moeiteloos als onverwerkt studentensentiment. Als mister Napster James Brown weer eens over de werkvloer laat schallen, we sluiten ons er moeiteloos voor af.

Alleen als het over muziek gaat, over literatuur, politiek, filosofie of over wat goeie journalistiek is, dan kijken we elkaar nog wel eens recht in de ogen.

Hij is het mooist als hij zijn lead componeert: onderuitgezakt, ronde rug, twee vingers die vlak boven het toetsenbord zweven, de blik starend uit het raam. Dan ineens: rikketikketik. De diepe zucht daarna.

Waarde collega 2

Voor ons is de werkplek toch vooral zijn rug en het opgeruimde bureau erachter. Als we ons omdraaien kijken we naar dat geruststellende stilleven, al jaren. We hebben hem wel eens gevraagd hoe het zat met onze rug en de smeulende puinhoop dáárachter. Of ook die aanblik geruststelt, daar zijn we maar niet over begonnen.

Laten we het anders formuleren: met onze collega is het toch een beetje als met een grote broer. Niet alleen vertoeft hij ruim een jaar langer op aarde dan wij zelf, ook was hij eerder ter redactie. Daarom noemen we hem ook zaalchef.

Broers hebben de neiging elkaar de hersens in te slaan. Dat is gezond. Het heeft hier soms wat van Asterix en Obelix, neuzen tegenelkaar, schreeuwen en tieren dat de honden er geen brood van lusten. Even later vallen we elkaar verlegen-lachend in de armen.

Voor zijn donderdagochtendkritiek zijn wij inmiddels ongevoelig. 'Wie heeft deze bak shit geschreven?', stampt hij de redactie door. Vroeger kropen we alvast onder ons bureau. Tegenwoordig schenken we koffie met een kaakje. Het is een Fries, dus we blijven rustig.

Maar grote broers zijn ook verstandig. Op diplomatieke toon: 'Zou je dat interviewtje niet doorschuiven naar volgende week, jongen?' Of: 'Ik zou nog even met die en die bellen, hier heb je z'n nummer.' Maar ook: 'Als je niet lekker inslaapt, probeer eens een Berenburgertje.'

Natuurlijk varen we blind op zijn oordeel. Als we hem onze Over en Sluiten laten lezen, staat hij schuin achter ons. We zweten. Onze collega valt nog liever dood dan dat hij lacht. Maar kómt die glimlach, dan mag de vlag uiten fietsen we met een gelukkig gevoel naar huis.

Nu gaat hij weg. Een Fries huilt niet. Dus een Limburger ook niet.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.