Voor stoffen waaraan werknemers op de arbeidsplek worden blootgesteld wordt in Nederland een zogenaamde 'MAC-waarde' vastgesteld, een waarde voor de maximaal toegestane blootstelling aan die stof. Daartoe brengt een wetenschappelijke commissie een op onderzoek gebaseerd advies uit. Dat advies gaat naar de zogenaamde 'MAC-commissie'. In deze onderafdeling van de SER zijn werkgevers, werknemers en overheid vertegenwoordigd. De MAC-commissie adviseert het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de haalbaarheid van die wetenschappelijke norm, waarop het ministerie de definitieve grenswaarde vaststelt.
Het lijkt een waterdichte procedure, gebaseerd op de objectieve, wetenschappelijk feiten.
Maar er is volgens Roland Bal meer aan de hand. 'De aanleiding tot mijn onderzoek was een proefschrift uit 1991, waarin gesteld werd dat de MAC-waarden eerder gebaseerd zijn op de vraag wat haalbaar is in de industrie, dan op wetenschappelijke inzichten over de schadelijkheid van stoffen. Dat gaf toen aanleiding tot felle discussies, onder andere over de schadelijkheid van glas- en steenwol. Ik heb geprobeerd me met mijn onderzoeksvragen buiten die discussie te houden, door me af te vragen, waarom er verschil wordt gemaakt tussen belangen en wetenschappelijke 'feiten'. Verder wilde ik weten hoe dat onderscheid wordt gemaakt, en welk effect het heeft op de normstelling.'
Daarbij lukte het Bal niet, zelf als objectief wetenschapsmens gezien te worden. 'Mede omdat de Leidse Wetenschapswinkel het initiatief tot het onderzoek had genomen werd ik haast automatisch in de hoek van de critici van de procedure geplaatst. De commissies weigerden hun medewerking en daardoor kon mijn eerste onderzoeksopzet, een soort antropologische studie van de totstandkoming van die waarden, niet doorgaan.'
Internationaal
Internationale vergelijking moest zijn onderzoeksvragen dus wat indirecter benaderen. Dat deed hij door te beginnen met een internationale vergelijking, vervolgens in te gaan op geschiedenis en functioneren van de MAC-procedure en ten slotte een aantal concrete stoffen onder de loep te nemen. Bal: 'Internationaal, tenminste in vergelijking met Engeland en de VS, bleek Nederland uitstekend te scoren. Dat wil zeggen, dat er in Nederland voor veel stoffen normen vastgesteld worden, dat het gaat om relatief lage grenswaarden en dat die normen goed geaccepteerd worden.' Dat laatste is belangrijk voor een snelle toepassing. Met name in de VS wordt volgens Bal tegen vrijwel elke norm een beroepsprocedure aangespannen.
Deze gunstige resultaten worden veroorzaakt door een combinatie van het Nederlandse consensus-denken en wetenschappelijke pretenties. Bal: 'In de jaren '50 en '60 kostte het de grootste moeite om werkgevers en werknemers op één lijn te brengen. De claim van de wetenschappers dat je een drempelwaarde kunt formuleren, waar beneden geen schade aan de gezondheid optreedt, bracht uitkomst.' In het begin van de MAC-commissie discussieerden wetenschapsmensen, werkgevers en werknemers direct met elkaar. Later trok men de grens tussen wetenschap en beleid scherper, en werd het wetenschappelijk advies uitgebracht door een aparte commissie. In de regel blijkt het daarbij om goed haalbare adviezen te gaan. Bal: 'Soms wordt de norm wat hoger vastgesteld, maar in vijfennegentig procent van de gevallen volgt de MAC-commissie het wetenschappelijk advies. En het ministerie neemt vrijwel altijd het standpunt van de MAC-commissie weer over.'
Naadloos
Deze vrijwel naadloze aansluiting tussen het wetenschappelijke feit en de maatschappelijke haalbaarheid wordt beter begrijpelijk, als je de manier waarop die norm tot stand komt nader bekijkt Bal: 'Eerst kijkt men naar het niveau waarop een stof gezondheidsschade veroorzaakt bij proefdieren. Die drempelwaarde is al betrekkelijk, want wat is 'gezondheidsschade'? Vervolgens wordt die concentratie gedeeld door een veiligheidsfactor die kan variëren van één tot honderd. De hoogte daarvan heeft een groot effect op de norm, maar de regels zijn juist hier bijzonder vaag.' Het heeft er alle schijn van, dat de maatschappelijke haalbaarheid al een rol speelt bij de totstandkoming van het wetenschappelijk advies, en dat hier eigenlijk al een op consensus gericht voorstel gedaan wordt. Bal: 'Helaas heb ik die wetenschappelijke discussie dus niet van binnen uit kunnen volgen. Maar als het inderdaad zo werkt is dat alleenmaar positief. Want volgens mij is zo'n compromis nodig om tot productieve normstelling te komen, en het lijkt er op dat het schijnonderscheid tussen wetenschappelijke objectiviteit enerzijds en maatschappelijke belangen anderzijds daarbij een belangrijke rol speelt.'
Tenslotte ging Bal na, hoe de drempelwaarden bij onder andere glas- en steenwol tot stand kwamen. Bal: 'Rond 1991 waren er heftige discussies over deze stoffen. De vezels hebben ongeveer dezelfde grootte en vorm als asbestvezels. Vermoed werd dat, net als bij asbest, één vezel al een mechanische prikkel kan geven die tot kanker leidt. Dan is er dus geen drempelwaarde mogelijk.' Dit vermoeden werd op twee manieren onderzocht, en zo ontstonden er twee 'scholen'. De eerste school injecteerde de deeltjes rechtstreeks in betrekkelijk grote hoeveelheden in het longweefsel van proefdieren, en toonde zo aan dat ze kanker konden verwekken. De tweede school relativeerde die gegevens sterk. Bal: 'Zij willen de 'natuurlijke omstandigheden' waarin de stoffen gebruikt worden zo veel mogelijk nabootsen. Deze school injecteert niet, maar laat proefdieren de stoffen inademen en hecht daarnaast veel waarde aan epidemiologisch onderzoek. Volgens hen zijn glas- en steenwol niet bijzonder gevaarlijk. In Duitsland volgt men de eerste school, in Nederland de tweede. Ondermeer uit deze casus blijkt, dat er op zuiver wetenschappelijke gronden geen MAC-waarden kunnen worden vastgesteld. In de praktijk van de normstelling vermengen wetenschap en de verschillende maatschappelijke belangen zich naadloos.'