Om aan de groeiende vraag naar technologen te kunnen voldoen moet het imago van technische universiteiten verbeterd worden. Onzin, vindt Anne Löhnberg, niet iedereen heeft zin in een smalle bètastudie. 'Daar kan geen reclamebureau wat aan doen.'
'Veel scholieren die wel een exact vakkenpakket met voldoende hoge cijfers hebben,' zo viel te lezen op de voorpagina van UT Nieuws van 28 januari, 'kiezen toch niet voor een technische opleiding.'
De teneur van het stuk is dat het anders zou moeten. Aan de ene kant legt de schrijver de schuld bij het feit dat de jongeren menen dat een 'stoffige' bètastudie niet bij hun levenshouding past - technische studies zijn 'niet trendy'. De 'oplossing' zou dan zijn de jongeren ervan te overtuigen dat een technische opleiding juist een glanzend levenspad inluidt. Aan de andere kant blijken de goede scholieren met exact vakkenpakket die niet 'exact kiezen' meestal economie of medicijnen te gaan doen. Deze dwaling van het gouden pad wordt verklaard met: 'Ze denken dat bètaopleidingen zwaarder zijn en minder kansen bieden op een baan en een hoog salaris.'
Maar beste auteur, of wellicht: beste onderzoekers van het Kohnstamm instituut (want daar kwam het rapport vandaan waarop het artikel gebaseerd is), misschien hebben die aankomende studenten gewoon andere ideeën over wat ze het leukst vinden om te doen, over wat het hoogste is dat een mens kan bereiken in het leven, of over de sector waarin zij persoonlijk het gelukkigst denken te worden.
Dat blijkt ook eigenlijk al uit het feit dat de niet-exact-kiezers meer waarde hechten aan zaken als 'persoonlijke betrokkenheid bij anderen.' Iemand die al van kleins af aan arts wil worden, kan goede redenen hebben om te kiezen voor de exacte richting op school. Misschien is zijn of haar motivatie zelfs wel pure interesse in wis- en natuurkunde. Wie zegt dat alle leerlingen met een exact pakket aankomende techniekstudenten zouden moeten zijn?
Ikzelf haalde als scholier goede resultaten in vier exacte vakken, en ging inderdaad natuurkunde studeren. Na een jaar stapte ik echter over naar een sociaalwetenschappelijke opleiding, te vergelijken met WWTS. En het beviel me daar uitstekend. Inderdaad vond ik een bèta-studie 'te smal'. En geen reclamebureau dat het imago van de techniek probeert op te vijzelen had daar wat aan kunnen veranderen.
Overigens, de cijfers die ik haalde voor de vier talen in mijn eindexamenpakket waren vergelijkbaar met die voor de exacte vakken. Wel eens een stuk gelezen waarin letterenfaculteiten klaagden dat scholieren die hoog scoren op talen niet allemaal een talenstudie kiezen?
Anne Löhnberg doet onderzoek naar de aansturing van innovatie in medische technologie bij de vakgroep Filosofie van Wetenschap en Techniek
![]()