Uitspraken gedaan door collega Asselbergs in de rondetafeldiscussie over waarheid en bedrijfsleven in het universitair bestel deden me onweerstaanbaar denken aan een nu ruim anderhalve eeuw oude, zeer wijze uitspraak van William Whewell over het nut van eruditie, en ook aan een brief die de grote astronoom Johannes Kepler in 1600 van zijn werkgevers ontving.
Over veel weten en waar dat goed voor is schreef de mineraloog/filosoof William Whewell in 1830: 'This is the spirit in which the pursuit of knowledge is generally carried on with success: those men arrive at truth who eagerly endeavour to connect remote points of their knowledge, not those who stop cautiously at each point till something compels them to go beyond it.' Kortom: eruditie, wel eens ergens van gehoord hebben, weten om het genoegen van het weten, is niet een luxe, niet een luchtig toetje, maar is precies wat de onderzoeker ertoe in staat stelt boven de middelmaat uit te komen.
Het jaar 1600 - het jaar van Kepler - is één van de grote, klassieke momenten uit de geschiedenis van de natuurwetenschap. Het is het jaar dat Tycho Brahe en Johannes Kepler elkaar in Praag ontmoeten. Tycho was de geniale waarnemer. Beter dan enig tijdgenoot begreep hij dat de structuur van het heelal pas werkelijk zou worden doorzien als eerst de waarneembare posities van sterren en planeten met maximale nauwkeurigheid waren vastgelegd. Tycho's levenswerk bestond uit het opbouwen van zo'n schat aan waarnemingsgegevens, waar dan vervolgens de ware theorie van de planetenbewegingen uit zou kunnen worden gedestilleerd.
Tycho benoemde zijn opvolger Tychonides alvast als degene die dat zou klaarspelen. Hij besefte namelijk dat hijzelf de theoretische begaafdheid voor die finale afronding miste. De man die uiteindelijk op basis van Tycho's waarnemingen de in wezen nog steeds geldige theorie van de planetenbewegingen opstelde was een aankomend astronoom: de 'provinciaal mathematicus' te Graz in Oostenrijk, Johannes Kepler.
Twintig eeuwen lang was als vanzelfsprekend aangenomen dat alle hemelbewegingen als eenparig doorlopen cirkels dienden te worden weergegeven. Keplers uiteindelijke conclusie was, zoals bekend, dat de planetenbanen ellipsen zijn, waarbij hun snelheid op elk moment van hun baan wordt gegeven door Keplers tweede wet, de perkenwet. Deeenvoud die Copernicus voor zijn heliocentrische wereldbeeld had nagestreefd maar niet had kunnen bereiken, was nu tot stand gebracht.
Dat was niet van de ene dag op de andere gegaan. Vijf jaren van onafgebroken inspanning, van ongekend ingewikkeld rekenwerk en het opstellen van de meest gewaagde hypothesen waren nodig vóór hij uiteindelijk, als eerste in de wereldgeschiedenis, van het zonnestelsel een samenhangend, zeer nauwkeurig de werkelijkheid weergevend beeld vormde. Zonder die vijf jaar inspanning was Newtons wet van de zwaartekracht ondenkbaar geweest. Ja de hele moderne natuurwetenschap zoals wij die kennen, met al haar maatschappelijk zo diep ingrijpende effecten als verlossing van honger en armoede in onze contreien en trouwens ook de oprichting van onze eigen universiteit, is zonder die wetten van Kepler niet voorstelbaar. Bij uitstek nuttig en maatschappelijk relevant bezig dus, die Kepler, zou je zo zeggen.
'Niet', zo dachten Keplers broodheren, de 'Standen' van Stiermarken. In datzelfde jaar 1600 gaven zij Kepler (ik haal dit aan in zijn eigen woorden) 'het bevel, onder bedreiging met ontslag, dat ik voor heden de sterrenkunde terzijde moet stellen en mij aan de geneeskunde moet wijden en mijn aandacht van speculaties die veeleer schoon zijn dan in de huidige noodtoestand bruikbaar, verplaatsen naar het bevorderen van wat voor de gemeenschap nuttig is.'
We mogen Kepler wel dankbaar zijn dat hij de heren heeft laten doodvallen. Dat hij zich niet heeft laten omscholen van geniale pionier van de moderne natuurwetenschap tot de zoveelste arts die - meer vermocht dat vak toen immers nog niet - zijn patiënten eerder versneld het graf inhielp, dan genas.
Goede redenen om belangeloos, op waarheid gericht, lange-termijn-onderzoek de nek om te draaien zijn er altijd geweest; er is altijd een 'huidige noodtoestand' aan te roepen of, in Asselbergs' woorden, 'een tijd waarin we meer rekenschap moeten afleggen, hulpbronnen zwaarder onder druk staan, in zo'n tijd moet je...'
De moraal van mijn verhaal lijkt me wel duidelijk. Wat nuttige, 'relevante' wetenschap is, valt voor de tijdgenoot niet zo goed uit te maken. Ogenschijnlijk hoogst relevant en rechtstreeks toepasbaar onderzoek kan tot kwalitatief inferieur of onbruikbare of nergens op slaande resultaten leiden. Schijnbaar maatschappelijk nutteloos onderzoek kan de hele wereld op de één of andere manier op zijn kop zetten, en het punt is dat je geen van beide met voldoende zekerheid kunt voorspellen.
Een groot verschil tussen Kepler toen en wij nu is dat hij met een wat bekrompen uitgevallen bestuurscollege van doen had, waar de rijke Tycho (en bepaald niet enig bedrijf) hem van kon verlossen. Op ons, nu, rust de zware taak batterijen onderzoekplanners, departements-ambtenaren, op zeker spelende NWO-geldverdelers, die klaar staan om de zeldzame Keplers onder ons te beknorren om hun frivole gedoe, te doordringen van waar het in de wetenschap werkelijk om gaat. Het was goed te merken dat, binnen onze eigen universiteit, die nooit verouderende opdracht bij menigeen nog in goede handen is.
![]()