prestatiebeurs tot het uiterste op.
'Soms knarsetandend' zou hij aanzien hoe de politiek omging met zijn werk. Dat zei Loek Hermans vijftien maanden geleden, nadat hij als voorzitter van een naar hem genoemde commissie een advies over studiefinanciering aan toenmalig minister Ritzen had overhandigd. Daar was reden toe, want Ritzen liet weinig van het advies heel.
Hoe het met Hermans' tanden gesteld was toen hij driekwart jaar later zelf tot `de politiek' toetrad, is niet bekend. Maar duidelijk was dat het regeerakkoord hem weinig ruimte gaf om zijn eigen advies uit te voeren. Als commissievoorzitter had hij gepleit voor het afschaffen van het prestatiebeursstelsel, als minister was hem verboden een heel nieuw stelsel
te ontwerpen.
'Ik ga gewoon het regeerakkoord uitvoeren', riep Hermans na zijn aantreden welgemoed. En inderdaad, het eerste wat hij deed - hem voorgeschreven door het regeerakkoord - was het stelsel van de prestatiebeurs uitbreiden door ook de OV-kaart er deel van te maken. De hoop op ingrijpende wijzigingen op
het beursgebied leek toen al bijna opgegeven te kunnen worden.
Ten onrechte. Met het plan dat hij vorige week openbaar maakte, laat Hermans de prestatiebeurs weliswaar in tact. Studenten krijgen ook in de toekomst vier jaar beurs, die ze niet hoeven terug te betalen als ze hard genoeg studeren. Maar tegelijk brengt hij belangrijke verbeteringen aan. Voortaan krijgen studenten tien jaar de tijd om een diploma te halen.
En de vier jaar basisbeurs mogen ze per maand verzilveren.
Zo voert Hermans een wezenlijk onderdeel van zijn eigen advies uit. Ook daarin was sprake van een bedrag ter grootte van vier jaar basisbeurs dat studenten in de loop van tien jaar konden opnemen. Daarmee heeft Hermans zijn geloofwaardigheid flink opgevijzeld en - belangrijker - het beurzenstelsel veel flexibeler gemaakt.
Een student kan nu bijvoorbeeld eerst drie jaar studeren met een basisbeurs en daarna een paar jaar werken. Jaren later kan hij zijn studie afmaken met het ene jaar basisbeurs waarop hij nog recht heeft. Maar ook wie een maandje full time vakken vult bij Albert Heijn en geen beurs nodig heeft, kan met de nieuwe flexibiliteit uit de voeten.
Het verschil met het stelsel dat Hermans van zijn voorganger Ritzen had geërfd is enorm. Tot nu toe kon een student zijn studie hoogstens één keer onderbreken, niet korter en niet langer dan één jaar. Die starheid maakte ook een woud aan uitzonderingen nodig, onder meer voor studenten die werken en leren afwisselen. De regels voor deze duale studenten vullen
zes kantjes. Die kunnen in de prullenbak.
Er zijn wel grenzen aan de flexibiliteit. Want niet elke opleiding zal programma's willen opstellen waar studenten op elk gewenst tijdstip kunnen in- en uitvliegen. Maar dat zoeken student en opleiding zelf maar uit, vindt Hermans. Hij verwacht overigens dat het gros van de studenten
`gewoon' voltijds blijft studeren. Waar het hem om gaat, is dat de studiefinanciering student en opleiding niets in de weg legt als zij iets anders willen.
Een aantal zaken is nog onduidelijk. Zo staat niet vast of een student een volledig collegegeld moet betalen als hij maar een deel van het jaar studeert. Wie tien jaar lang deeltijds wil studeren, wordt dan flink op kosten gejaagd. De door Hermans gepredikte flexibiliteit is dan opeens veel minder reeël. Maar allerhande alternatieven met deeltijdscollegegeld zijn in depraktijk ingewikkeld.
Twee grote bezwaren van de prestatiebeurs heeft Hermans niet weten weg te nemen. Allereerst staat er nog steeds een zware straf op afhaken zonder diploma. Wie dat doet, moet zijn beurs terugbetalen. Daarnaast duurt het nog steeds lang - namelijk tot ze hun bul op zak hebben - voordat studenten zeker weten of ze hun beurs mogen houden. Deze `inkomensonzekerheid' was
woog zwaar voor Hermans-de-commissievoorzitter. Maar of Hermans-de-minister er nog knarsetandend van wakker ligt, is de vraag.