Meer variatie gewenst bij opzet promotieopleidingen

| Redactie

Onderzoekscholen moeten zowel onderzoeksprogramma's als de opleiding van promovendi in de juiste banen leiden. Dat valt niet mee, want ze zijn vaak georganiseerd volgens een model dat niet bij de betreffende wetenschap past. Daarom pleit bestuurskundige Jeroen Bartelse voor een meer divers systeem, waarin het veld zelf grotendeels de samenwerkingsstructuur bepaalt. Deze week verdedigt hij het proefschrift 'Concentrating the Minds: the institutionalisation of the graduate school innovation in Dutch and German higher education.'

'De afgelopen jaren ontstonden er in verschillende westerse landen vergelijkbare zorgen rond de academische promotie', stelt Bartelse. 'De functie en vormgeving van het promotieproces wordt in toenemende mate ter discussie gesteld. Promotieonderzoek duurt vaak langer dan gepland en veel promovendi houden er voortijdig mee op. Dat gaat gepaard met persoonlijk leed en kost geld. Daarnaast speelt de vraag wat het arbeidsperspectief is van de gepromoveerde. Moet dat zuiver wetenschappelijk zijn, of zijn bredere loopbaanmogelijkheden buiten de academische wereld gewenst? Kwesties rond internationalisering, betaalbaarheid en kwaliteitszorg vormen tenslotte andere belangrijke punten die het traditionele promotiemodel onder druk zetten.'

Deze vergelijkbare vragen beantwoordden de verschillende overheden en academische werelden op een deels vergelijkbare manier. Onder andere werden in een aantal Europese landen onderzoekscholen opgericht, geïnspireerd door het Amerikaanse voorbeeld van de graduate school. Bartelse: 'Die ontwikkeling van onderzoekscholen kan tussen de landen onderling sterk verschillen. Waar het in Engeland bijvoorbeeld bottom-up gaat, nam in Nederland en Duitsland de overheid een leidende rol.' In Nederland resulteerde dit in een model onderzoekschool waarin verschillende universiteiten geacht worden om samen te werken aan een samenhangend onderzoeksprogramma op een bepaald wetenschapsgebied. De onderzoekschool verzorgt en structureert de promotieopleiding. Zo'n samenwerkingsverband brengt geen directe subsidies met zich mee, maar wel de gewenste internationale contacten en een betere begeleiding promovendi.

Frustraties

Maar het huidige systeem voldoet vaak niet. Het gaat volgens Bartelse regelmatig gepaard met energieverslindend en frustrerend(politiek) gehakketak, terwijl de onderzoekscholen in sommige gevallen weinig lijken te hebben toevoegd aan de al bestaande samenwerkingsverbanden. Vandaar dat Bartelse besloot het systeem eens onder de loep te nemen. Met centraal de vraag hoe je die onderzoekscholen nu het beste op kunt zetten. Bartelse: 'Ik ging uit van twee sociaal-wetenschappelijke verklaringen van het institutionaliseringproces. De eerste stelt dat een nieuwe structuur makkelijker geaccepteerd wordt als dat de betrokkenen voordeel oplevert, bijvoorbeeld geld, status of beleidsruimte. Volgens de tweede theorie wordt een structuur makkelijker geaccepteerd naarmate hij minder afwijkt van de bestaande structuur en de bestaande tradities, normen en machtsverhoudingen.'

Zo kwam hij tot vier denkbare situaties. Als de onderzoekschool zowel voordeel oplevert als sterk samenvalt met de bestaande structuur ontwikkelt de onderzoekschool zich vlot en naar het idee dat de beleidsmakers bedoelden. In de tegengestelde situatie komt de onderzoekschool helemaal niet van de grond. Wanneer de betrokkenen er wel belang bij hebben, maar de voorgestelde structuur niet aansluit bij de bestaande werkelijkheid, krijgt de onderzoekschool een andere vorm dan de beleidsmakers voor ogen hadden. In de laatste situatie, als er geen voordeel te behalen valt maar de voorgestelde structuur wel makkelijk geaccepteerd wordt, zullen er slecht beperkt onderzoekscholen ontstaan die echter wel de bedoelde vorm aannemen.

Chemie

Vervolgens zocht Bartelse ter toetsing en verfijning van zijn model in de Nederlandse en Duitse praktijk naar groepen van onderzoekscholen die binnen de vier categorieën pasten. De Nederlandse chemie bleek een voorbeeld van de eerste, 'ideale' situatie, de Duitse bedrijfskunde stond voor het tegendeel. Bartelse: 'Daar pasten de onderzoekscholen niet binnen de cultuur, die sterk op samenwerking met het bedrijfsleven gericht is, terwijl men ook weinig baat zag in de stimulans tot promoveren die er van uitging. De opleiding daar wordt namelijk niet echt gezien als het begin van een wetenschappelijke carrière.'

Recht

De Nederlandse rechtenfaculteiten zagen, na verloop van tijd, wel voordeel in onderzoekscholen, maar die pasten niet bij hun tradities. Vandaar dat ze er dikwijls hun eigen vorm aan gaven. Bartelse: 'Ze gebruiken het model om de onderzoekersopleiding te verbeteren, maar het idee van een samenhangend onderzoeksprogramma paste niet bij de individualistische onderzoekspraktijk. Op dat terrein vindt dan ook veel minder samenwerking plaats dan bijvoorbeeld binnen de chemie.' Van de laatste theoretisch mogelijke situatievond Bartelse maar met moeite een passend voorbeeld. Binnen de Duitse aardwetenschappen bestaan grote verschillen in de mate waarin onderzoekscholen van de grond komen. Maar dit was niet omdat men er geen voordeel in zag. 'Beide variabelen lagen in het midden, men zag voor- en nadelen, en het Duitse idee van de onderzoekschool paste bij sommige onderzoeksgroepen wel maar bij andere niet. Dit resultaat noopte mij het theoretisch model bij te stellen. Kennelijk gebeurt er niets als de betrokkenen er helemaal geen voordeel in zien. Pas als deze drempelwaarde overschreden wordt, en er sprake is van in elk geval een beetje voordeel, kunnen er verschillende typen onderzoekscholen ontstaan. Daarmee is hopelijk een begin gemaakt met de integratie van twee theoretische tradities, die tot voor kort als moeilijk verenigbaar beschouwd werden.'

Culturele factoren kunnen de invoering van door beleidsmakers bedachte structuren sterk beïnvloeden, en als de betrokkenen er geen enkele baat bij hebben lukt het helemaal niet ze in te voeren. De hamvraag voor beleidsmakers is dus hoeveel ruimte ze moeten geven om een levensvatbaar resultaat te krijgen zonder dat hun politieke, normatieve doelstellingen naar de achtergrond verdwijnen. Zonder te claimen dat hij daar een pasklaar antwoord op heeft stelt Bartelse dat in Nederland in elk geval meer diversiteit gewenst is. 'De rol van de overheid zou naar mijn idee veel meer in de sfeer van outputafspraken kunnen liggen. De overheid zou, via bijvoorbeeld intermediaire organisaties als NWO en de KNAW, afspraken met het veld moeten maken over wat van een bepaalde onderzoekschool verwacht mag worden. De scholen kunnen daarop een tijdje later afgerekend worden. De vormgeving van de onderzoekschool is een zaak van de deelnemende partijen zelf. En omdat het idee van de onderzoekschool niet eenduidig is, kan die vorm aanzienlijk verschillen.'

Dit valt volgens Bartelse teillustreren aan de hand van twee dimensies waarop veel onderzoekscholen te karakteriseren zijn. Ten eerste wat betreft de schaal. Soms kan de onderzoekschool het beste bestaan uit een samenwerkingsverband tussen universiteiten, maar het is ook denkbaar dat hij binnen één universiteit of één faculteit, of juist internationaal vorm krijgt.' Daarnaast moet er variatie in de soort samenwerking mogelijk zijn. Bartelse: 'Welke activiteiten wil je onderbrengen in zo'n onderzoekschool? Nu gaat het om onderzoeksprogramma's, gekoppeld aan doctoraatsopleidingen. Maar het is ook goed mogelijk dat die samenwerking nog verder gaat, of juist dat zo'n onderzoekschool alleen de opleidingen verzorgt, of zich zelfs beperkt tot een administratief samenwerkingsverband.' Daarbij blijft Bartelse het antwoord schuldig op de vraag welk type onderzoekschool het beste bij welk type wetenschap past. 'Dat vergt nu juist een analyse van de specifieke kenmerken van een onderzoeksgebied, de motieven van de betrokken mensen en een waardering van de maatschappelijke omgeving.' In elk geval volgt Bartelse zelfde ontwikkelingen voorlopig op de voet. Naast een wetenschappelijke functie bij het CHOB houdt hij zich sinds kort bezig met het onderzoeksbeleid van de UT.

Onderzoekschool MESA op het UT-terrein

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.