Hermans lapt falliet stelsel op

| Redactie

De voorstellen van minister Hermans voor een nieuw stelsel van studiefinanciering zijn onmiskenbaar een verbetering. Studenten krijgen tien jaar de tijd om hun diploma te behalen, ze kunnen tot hun dertigste aanspraak maken op studiefinanciering, en ze kunnen hun beurs per maand opnemen. De aanvullende beurs is in de propedeuse niet meer afhankelijk van studeprestaties. GroenLinks is blij met deze

De voorstellen van minister Hermans voor een nieuw stelsel van studiefinanciering zijn onmiskenbaar een verbetering. Studenten krijgen tien jaar de tijd om hun diploma te behalen, ze kunnen tot hun dertigste aanspraak maken op studiefinanciering, en ze kunnen hun beurs per maand opnemen. De aanvullende beurs is in de propedeuse niet meer afhankelijk van studeprestaties.

GroenLinks is blij met deze verlichting van het jachtige prestatiebeursregime. Studenten kunnen schulden iets makkelijker vermijden. Een langere school loopbaan, bijvoorbeeld als gevolg van een handicap of een langere studie leidt minder snel tot problemen. En studenten hebben meer mogelijkheden om de studiefinanciering aan te laten sluiten bij hun eigen studieverloop en eventuele andere werkzaamheden. De ontkoppeling van de aanvullende beurs (in de propedeuse) en studieprestaties betekent zelfs een principiële wijziging van het stelsel: de (aanvullende) beurs is hiermee een onvoorwaardelijk recht in plaats van een voorwaardelijk voorrecht. Met

deze wijzigingen is de prestatiebeurs definitief op een zeephelling

belandt, waarop zij steeds sneller naar haar einde glijdt.

Tegenover deze positieve ontwikkelingen staat dat een groot deel van het stelsel ongewijzigd is gebleven. De zeephelling glijdt nog erg langzaam. Ondanks de grote kritiek op de prestatiebeurs van vrijwel iedereen, zelfs van de minister zelf, blijft de prestatiebeurs gehandhaafd. Zo verandert er niets aan het te lage budget van studenten. Niets verandert aan de vrijblijvendheid van de ouderlijke bijdrage. Het te beperkte aantal maanden studiefinanciering blijft hetzelfde. De leenaversie en de ongelijke spreiding van leningen zijn niet opgelost. Het risico op grote schulden en de fixatie op het behalen van een diploma blijven bestaan. De studie blijft bekneld door de noodzaak tot bijbaantjes. De verdringing op de arbeidsmarkt zal niet afnemen, terwijl uit recent onderzoek van het Risbo is gebleken dat studenten in totaal 85.000 fulltime banen bezetten, waarvan een groot deel aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Al met al geen fraaie erfenis van acht jaar sociaal-democratisch ministerschap. En een buitenkansje voor een liberale minister om zijn fanclub te bedienen.

De stapjes die Hermans nu zet, zijn echter als het opknappen van een pand waarvan de fundamenten niet deugen. Daarom zal GroenLinks in maart een alternatief presenteren met de fundamenten voor een wezenlijk ander stelsel van studiefinanciering. Onze belangrijkste wijzigingsvoorstellen gaan uit van een structurele verhoging van het budget voor iedere student. Daarnaast moet de studiefinanciering voortaan weer zes jaar beschikbaar zijn. Dat is iets meer (3 maanden) dan de gemiddelde studietijd die universitaire studenten momenteel nodig hebben om hun studie af te ronden. Wij vinden dat die tijd nodig is voor een gedegen academische vorming waarbij studenten nog tijd hebben voor andere dingen dan puntenjagen.

Een andere verandering die wij willen introduceren, schuilt in de financiering van het stelsel. Wij delen het uitgangspunt van Hermans dat de kosten voor studie en levensonderhoud van studenten moeten worden gedeeld door de overheid, de ouders en de student zelf. We doen dat alleen heel anders.

De bijdrage van ouders aan de studiekosten van hun kinderen willen wij via de belasting innen om de onafhankelijkheid van de student te versterken. Ouders hebben een (wettelijke) zorgplicht totdat hun kinderen 21 zijn. Om dat financieel tot uitdrukking te brengen in de studiefinanciering is goed te verdedigen. Veel ouders betalen nu te weinig en studenten mogen daar niet de dupe van zijn. Die ouderlijke bijdrage beperkt zich tot het moment dat de zorgplicht ophoudt. Oftewel, ouders betalen slechts totdat hun kind 21 is.

De bijdrage van studenten zelf is ingewikkelder. Het is redelijk dat studenten een eigen bijdrage leveren omdat het studeren een zelfgekozen werkloosheid is die op de langere termijn gemiddeld zeer profijtelijk is voor de student zelf. Hoger opgeleiden hebben een aanzienlijk grotere kans op een baan en verdienen gemiddeld aanzienlijk meer dan de rest van de beroepsbevolking. Daar is niks mis mee, maar het is niet onredelijk om daarom een beperkte eigen bijdrage van studenten te vragen op het moment dat zij het profijt van hun studie genieten. Studenten kunnen moeilijk tijdens hun studie mee betalen, omdat ze dan in principe geen inkomsten hebben. Zoals gezegd, leidt veel bijwerken tot verdringing op de arbeidsmarkt en mindere studieprestaties. Daarom moet er een vorm worden gevonden die studenten op een zo eerlijk mogelijke manier in staat stelt na hun studie hun bijdrage te leveren. De bijdrage van (ex-) studenten moet gebaseerd zijn op het economische profijt dat ze hebben van hun studie. Dus hoe meer (financieel) profijt, hoe meer je betaalt.

Wanneer je (nog) geen financieel profijt hebt van je studie, bijvoorbeeld wanneer je geen of weinig inkomen hebt, betaal je niets of weinig.

We zullen deze voorstellen de komende maand uitwerken en koppelen aan de discussie over een nieuw belastingstelsel en de discussie over het HOOP 2000. Dan kunnen we de nieuwe eeuw niet alleen beginnen met een groener en socialer belastingstelsel en met een nieuwe toekomst voor het hoger onderwijs, maar ook met een goed stelsel van studiefinanciering.

Tweede kamerfractie GroenLinks woordvoerder onderwijs en wetenschappen

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.