Ruis
Eerst Van Dale. Ruis 1. diffuse klank waarin geen elementen met een eigen betekenis zijn te herkennen; 2. ongestructureerde storing; 3 betekenisloos geklets.
Zoals u ziet heeft ruis, ooit een natuurkundig fenomeen, zich ingevreten in het sociale leven van de mens. Ook in ons sociale leven ter redactie, en dat vind je terug in het taalgebruik. 'Er zit een stukje ruis op de woensdag waar we vanaf moeten,' is een opmerking die elke woensdag rond dezelfde tijd gemaakt wordt. Zo'n stukje ruis kan eigenlijk van alles zijn. Een printer die twee minuten nodig heeft om zich op te warmen, bijvoorbeeld. Of een studentmedewerker die telkens z'n neus ophaalt. Iemand die terugbelt als je 'm niet meer nodig hebt. Een kennis of ex-vriendin die even aanwipt voor een babbeltje. Allemaal ruiselementen.
De ruis zit eigenlijk overal. Tussen je oren om te beginnen, maar ook in een stukje dat je hebt getypt. 'Aardig, maar ik heb de ruis er maar voor je uitgehaald.' Of je chef die op woensdag zijn kantoor uit komt rennen om te vertellen dat-ie 'vol met ruis zit'. Typische ruisopmerking.
Woensdag gehaktdag, ruis is onze ergste vijand. Maandagen en dinsdagen hebben een ander soort ruis, minder acuut maar o zo link. De maandagochtend sluipruis. Treedt op du moment dat je denkt 'ik zit lekker te tikken'. Zachte fluister in de verte zwelt aan tot een ventiel dat leegloopt, en voor je het weet ben je 'even aan het kijken of er al iemand gemaild heeft'. Kwartiertje later sta je beneden een saucijsenbroodje te eten. Je bent gezien.
Ruis moet onderdrukt worden. Alleen de groten slagen daar in. Zoals onze rector op de middelbare school, mijnheer Jetten. December, 1986. We moesten van onze godsdienstleraar langs rector en conrectoren om te vragen naar hun 'kerstgedachte'. Jetten keek niet op, maar spitste zijn linkeroor alsof hij in de verte iets hoorde ruisen. Doorschrijvend met vergulde vulpen sprak hij: 'Zeg maar tegen mijnheer Mooren dat ik geen tijd heb voor dit soort kolder.'
Niet-ontvankelijk
'Wat zou d'r deze week weer op het programma staan?'. De opperrechter van het arrondissement Almelo pakt het lijstje met af te handelen zaken. 'Een paar belasting akkefietjes, een boertje dat de mestwetgeving ontduikt, maar liefst drie opgevoerde brommers, een illegale kippenren in een achtertuin en - wat is dit - iets met een studentenvakbond, de Universiteit Twente en een geschillencommissie.'
'Heerlijk, heerlijk, heerlijk', mompelt de magistraat vergenoegd terwijl hij met zijn goed gemanicuurde linker wijsvinger de knop van de intercom indrukt. 'Juffrouw, wilt u mij de dossiers voor deze week brengen. En geeft u aan onze geliefde mevrouw Sorgdrager door dat ik haar vanmiddag tegen drieën op de golfbaan tref.'
Na een uurtje of wat heeft de rechter alle zaken doorgenomen. 'Alleen die van die studenten nog, dat lukt dus makkelijk vanmiddag', zucht de man tevreden. 'Na de lunch verder.'
Maar als de magistraat zich tegen tweeën in z'n laatste zaak verdiept blijkt die ingewikkelder dan gedacht. Dat de studentenvakbond SRD het niet zo eens is met het gedeelde medezeggenschapsstelsel op de UT, daar kan hij goed inkomen. En dat de Geschillencommissie Medezeggenschap Universiteiten het beroep van de SRD tegen de UT alleen marginaal en niet inhoudelijk toetste, dat vindt hij ook laf. Maar wat een werk om dat juridisch netjeste onderbouwen.
'Wacht', denkt de rechter opeens, 'was mijn golfvriendin het radenstelsel op de UT niet aan het evalueren. Even bellen.'
'Ha Winnie. Luister. Ik zit een beetje in tijdnood. Medezeggenschapszaakje aan de UT. Als ik die studentenvakbond nou gewoon niet-ontvankelijk verklaar en jij zorgt er voor dat dat gedeelde stelsel weer ongedeeld wordt, dan is iedereen gelukkig en kunnen we zo gaan golfen.
'Is goed hoor, de rector had het ook al over zoiets. Ik zie je zo: on the course.'