Slak
Rotterdam heette vroeger een stad zonder grootouders. Het overgrote deel van de bevolking bestond uit eerste en tweede generatie Rotterdammers. Dat kwam niet alleen doordat er zoveel mensen nieuw binnenkwamen, maar ook doordat die na verloop van tijd weer vertrokken. In de negentiende eeuw was dat vertrek overigens vaak met achterlating van de stoffelijke resten. Rotterdam had de hoogste mortaliteitsgraad van Europa. Cholera, pokken, tuberculose, kraamvrouwenkoorts en ongeremd jenevergebruik hielden de demografische beweging er stevig in.
Maar ook levende Rotterdammers kennen een rijke traditie van uitzwermen. Rotterdam bleek voor velen de poort tot de wereld. Desiderius Erasmus, Olivier van Noort, Lodewijk Pincoffs, Willem de Kooning, André van Duin, zij allen zochten hun heil elders. Ook Pim Fortuyn begreep dat je pas een grote Rotterdammer bent wanneer je niet in Rotterdam wordt begraven. Niet toevallig luidt de beginregel van het populairste Rotterdamse lied `Toen wij uit Rotterdam vertrokken'. Een havenplaats is niet bedoeld als eindbestemming.
Rotterdam is een smeltkroes. En een smeltkroes functioneert alleen wanneer die regelmatig wordt leeggegoten. Anders raakt het productieproces verstopt door aanslag en ovenslak. En dat is precies het probleem met het hedendaagse Rotterdam. Met de verkiezingszege van de Leefbaren heeft de slak de macht gegrepen. Haar ideaal van versmelting is dat alle instroom tot ovenslak verwordt.
Om deze negatieve spiraal te doorbreken heeft Rotterdam inderdaad dringend een selectief vestigingsbeleid nodig. Alle huurwoningen in de stadswijken moeten worden gereserveerd voor nieuwkomers. Eerste of tweede generatie. Mogelijk armlastig. Mogelijk laag opgeleid. Maar in elk geval boordevol ambities. Gelukzoekers in de juiste betekenis van het woord. Derde generatie Rotterdammers krijgen een laatste kans in een vinexwijk. En voor latere generaties geldt een onverbiddelijk: jammer maar gefaald. Vind je geluk maar ergens anders. "Met de Edam, een ouwe schuit".