Fikkers (27), die zelf over een jaar of twee hoopt te promoveren op regionaal economisch beleid in West-Europa, was al een tijdje secretaris van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN). Een maandje geleden schoof hij door naar de voorzitterspost. Bescheiden: `Eigenlijk is er weinig veranderd. Ik hoef alleen geen notulen meer te maken.' Maar inderdaad, geeft hij toe, hij is nu ook meer het gezicht naar buiten. Zo verscheen Fikkers vorige week naast onderwijsminister Maria van der Hoeven tijdens de presentatie van het rapport Tussen wens en werkelijkheid: carrièreperspectieven van jonge onderzoekers.
Ambities en perspectief lopen nogal uiteen, blijkt uit dit rapport, dat in opdracht van het PNN verscheen. Veel promovendi ambiëren na het voltooien van hun proefschrift een carrière binnen de universitaire wereld. Zo'n academische loopbaan is echter slechts voor twintig procent van hen weggelegd, vertelt Fikkers. Promovendi aan technische universiteiten hebben trouwens vaker een carrière in het bedrijfsleven voor ogen. Fikkers: `Zij kunnen eerder terecht bij bedrijven als Philips. Dat is een voordeel. Voor een gepromoveerde cultureel-antropoloog is de universiteit vaak de enige plek.'
De huidige generatie aio's komt dus nauwelijks aan de slag binnen de Nederlandse universitaire wereld. En dat terwijl er eigenlijk méér promovendi bij moeten. `Nederland wil binnen Europa bij de koplopers horen op het gebied van kenniseconomie, maar ons land heeft het laagste percentage gepromoveerden. Alleen Italië en Griekenland doen het slechter. In Nederland is slechts één op de drieduizend werkenden gepromoveerd. En dat aantal daalt elk jaar met vijf procent omdat promoveren als onaantrekkelijk wordt gezien. Wat dat betreft zijn we op de verkeerde weg.'
Het klinkt dubbel: er moeten promovendi bij, terwijl de huidige lading niet eens fatsoenlijk aan het werk komt. `Een goede doorstroming is dus van het grootste belang', zegt Fikkers. `Goede perspectieven maken het beroep van promovendus gewilder. Als het je al lukt om binnen de universiteit aan de slag te komen, dan krijg je tegenwoordig het ene tijdelijke contract na het andere. Een postdocpositie van twee jaar. Een los contractje voor een aantal maanden. Als je jong bent gaat dat wel, maar op een gegeven moment moet er een huis worden betaald en een gezin worden onderhouden.'
Het ergste is nog, vindt Fikkers, dat niet de kwaliteit van de aio bepaalt of hij of zij mag blijven, maar de toevallige aanwezigheid van een potje geld. `We hebben nu voor een jaartje onderzoeksgeld, jij promoveert binnenkort, dus jij kan daarna nog even blijven. Dat is korte termijn personeelsbeleid en heeft niks te maken met excellentie. Excellente mensen zou je als universiteit zonder meer vast moeten houden.'
Hoe? `We moeten in Nederland serieus met tenure track aan de gang', stelt Fikkers. `Net als in Amerika. Maak plaats voor excellente onderzoekers. Geef ze vijf jaar om zich te bewijzen, niet steeds contractjes van een jaar. Hoe we dat betalen? Den Haag moet dat betalen. Zij willen toch scoren met de kenniseconomie?'
Bij tenure track hoort ook: afgerekend worden op resultaten. Wie het niet redt, vliegt er uit. Voor de huidige generatie onderzoekers gelden deze prestatieregels nog niet. Wie eenmaal een vast contract heeft, blijft zitten. Ook een oorzaak van de stagnerende doorstroom. `De universiteit is een vergrijsde organisatie', zegt Fikkers. `Het gros van het onderzoek wordt gedaan door promovendi en postdocs maar het gros van de salarissen gaat niet naar het gros van de productiviteit. Een deel van dit probleem lost zich vanzelf op. Er is op dit moment een grote groep babyboomers aan het werk. Die vloeit natuurlijk wel een keer uit.'
Naast het bieden van gezonde perspectieven, moet de academische wereld de aio-status hooghouden, vindt Fikkers. `Dat hele gedoe met bijvoorbeeld bursalen moeten we niet hebben', zegt hij. Hij doelt op de constructie die bepaalde universiteiten hanteren om goedkoop aan onderzoekers te komen. Bursalen, ook wel beurspromovendi, doen hetzelfde werk als aio's maar worden niet officieel in dienst genomen en ontvangen in plaats van salaris een - veel lagere - beurs. `Dit speelt momenteel vooral in Groningen en aan de UvA in Amsterdam. Samen met de vakbond proberen we daar iets tegen te doen. Zo'n absurde constructie doet afbreuk aan het aio-schap en maakt het beroep er niet aantrekkelijker op.'
Het PNN waakt ervoor dat promovendi in Nederland niet als volwaardige werknemers beschouwd worden. `Er schort nog wel eens wat aan. Op dit moment hebben we een zaak lopen tegen de UvA. Een vrouwelijke aio is zwanger maar krijgt geen extra maanden om haar promotie af te ronden. Dat kan dus niet.'
Al zijn promovendi volgens de letter van de wet volwaardige werknemers, toch hebben ze een bijzondere positie met een geheel eigen problematiek. De afhankelijkheidsrelatie van promovendus ten opzichte van de promotor kan bijvoorbeeld voor problemen zorgen. Het PNN ontvangt dan ook wel eens klachten. Fikkers: `Tja, die hiërarchische relatie blijft nu eenmaal bestaan. Daar kunnen we weinig tegen doen. Het lijkt me althans niet de taak van het PNN om een zwarte lijst aan te leggen van hoogleraren bij wie je beslist niet moet promoveren. Maar misschien is het wel goed dat universiteiten zelf tegen bepaalde hoogleraren zeggen: je bent een goeie onderzoeker, maar het lijkt ons beter als je geen promovendi begeleidt.'
![]()
(Foto: Arjan Reef)