Scholten nam tachtig bedrijven onder de loep en richtte zich voornamelijk op de vroege fase van spin-offbedrijven van universiteiten. De conclusie was verrassend. Het bieden van financiële steun en accommodatie is geen garantie voor groei. Scholten: `Wanneer je een starter aan goedkope accommodatie helpt en financieel steunt, dan houd je de die bedrijven te dicht bij je. Die steun is weliswaar kostenbesparend - hoewel dat ook nog wel meevalt - maar levert geen directe bijdrage aan de vertaling van academische kennis naar markttoepassingen.'
Voor de duidelijkheid: het negatieve verband tussen beide wordt niet zozeer veroorzaakt door de ondersteuning zelf, maar is een gevolg van de manier waarop starters met de ondersteuning omgaan, benadrukt Scholten. `Vaak zie je dat ondernemers niet de omslag kunnen maken naar hun nieuwe taakomgeving. Ze zijn jaren druk geweest met onderzoek en publiceren en zijn gewend diep op de stof in te gaan en telkens te blijven schaven. In het bedrijfsleven gaat het echter niet zo om optimaliseren. Daar telt dat je iets op tijd kunt leveren en dat het werkt. Perfectie is niet noodzakelijk.' Scholten noemt dat probleem de `wetenschapsval'. De resultaten waren ook voor hem een verrassing. `Je verwacht vooraf niet dat al die ondersteuning ook een donkere kant kan hebben.'
Scholten, die inmiddels op de Erasmus Universiteit in Rotterdam werkt, pleit niet voor het rigoureus doorsnijden van de banden tussen universiteit en spin-off. `Maar, vergelijk het met een kind dat een heel beschermende opvoeding krijgt. Zo'n kind wordt minder weerbaar. Je leert niets wanneer je constant uit de wind gehouden wordt en dat wreekt zich op den lange duur.' Coaching is volgens Scholten het toverwoord. `Door spin-off starters te coachen ontwikkelen zij kennis en vaardigheden die een concurrentievoordeel kunnen opleveren.'
Ook de UT biedt, met haar TOP-regeling, starters de helpende hand. Aard Groen, wetenschappelijk directeur van Nikos, het UT-instituut voor kennisintensief ondernemerschap, kent het onderzoek van Scholten. Diens proefschrift vormt echter geen aanleiding om de regeling op de schop te nemen, vertelt Groen. `De UT doet meer dan alleen financiële steun en accommodatie bieden. We bieden ook strategisch advies, cursussen en coaching. Bovendien voorziet de UT een starter niet alleen van een wetenschappelijk adviseur, maar ook van iemand uit de praktijk.' Groen ziet zich gesterkt door de cijfers. `Vijfhonderd bedrijven zijn ooit onder een TOP-regeling gestart. Vierhonderd daarvan doen het nog steeds. Die andere honderd bestaan weliswaar niet meer zelfstandig, maar dat betekent niet persé dat ze failliet zijn. Als je dit resultaat vergelijkt met spin-offs in de rest van het land dan is het verschil enorm.'
Uit onderzoek onder ex-TOPpers is gebleken dat ze vooral de netwerk- en strategische coaching elementen uit de ondersteuning van belang vinden. In die zin onderschrijven dus ook de ondernemers zelf dat er meer nodig is dan financiële steun en accommodatie.
Hoewel Groen niet alle conclusies van het onderzoek van Scholten onderschrijft, herkent hij er wel veel in. `De gemiddelde grootte van een UT-spin-off is tien fte. Er zitten heel grote bedrijven bij, zoals PNO Consultancy, maar ook veel een- en tweemanszaken.' Hadden die groter kunnen zijn? Moeilijk te zeggen, vindt hij. `Maar ik herken het mechanisme dat bedrijven die te dicht bij de universiteit blijven, daardoor kansen missen en minder snel groeien dan wellicht mogelijk is. Overigens is dat soms een heel bewuste keuze van de ondernemer. In het beleid van de UT wordt echter wel steeds meer gestuurd op groeiambitie.'
Groen wijst er op dat starters die met heel nieuwe technieken de markt op willen, vaak een langere aanlooptijd nodig hebben. `Dan geldt een zogenaamde lead time to market van soms wel acht tot twaalf jaar. Een lastige periode, die niet voor niets valley of death wordt genoemd, omdat je de eerste jaren meer kosten dan opbrengsten hebt.' Die bedrijven groeien nog niet, maar dat komt niet omdat ze te dicht bij de universiteit staan. Groen: `Sterker nog, in deze fase is dicht bij het onderzoek blijven vaak productief, omdat de ontwikkeling van die technologie daarmee versneld wordt. Bovendien kunnen ondernemers besparen op de kosten, door gebruik te maken van onderzoeksfaciliteiten van de universiteit, zoals de cleanroom. Het is dan wel zaak om tijdig de nodige aandacht aan de markt te gaan besteden, anders loopt de ondernemer alsnog in de `wetenschapsval' van Scholten. Daar ligt een rol voor de zakelijke coaching.'