Protocol moet pestgedrag herkennen en tegengaan

| Redactie

Iedereen heeft ze wel eens meegemaakt: pestkoppen. Ze verzieken het leven van anderen en hun daden hebben soms verstrekkende gevolgen. Toch blijft pesten een onderschat probleem, althans zo concluderen de vierdejaars psychologie Maarten Agelink, Jojanneke Korte en Paul de Vrijer. Vorige week rondden zij, voor het vak veiligheid en gezondheid, hun onderzoek naar pestgedrag op basisscholen af.


Op de vraag of ze zelf ooit zijn gepest of de pestkop hebben uitgehangen, schudden ze alledrie van nee. `Maar ik heb ze wel meegemaakt,' zegt Korte. De andere twee studenten knikken instemmend. `Pesten is van alle tijden,' vertelt De Vrijer. `Elke school kent het fenomeen en er is veel over geschreven. Wat wij willen toevoegen, is een protocol om pestgedrag te herkennen, te erkennen en tegen te gaan.'

Een literatuurstudie en veertien interviews met leraren van groep zeven en acht vormen de basis van hun onderzoek. `We hebben bewust voor de laatste twee klassen van het basisonderwijs gekozen, omdat de rolverdeling in deze groepen min of meer vaststaat,' legt Agelink uit.

De studenten noemen het opmerkelijk dat onderwijzers zeer uiteenlopende omschrijvingen van pesten geven. De Vrijer: `De ene leraar vindt pesten bijvoorbeeld `alles wat iemand doet om een ander een vervelend gevoel te geven', terwijl een andere groepskracht pesten omschrijft als `het structureel benadelen van kinderen in emotionele ontwikkeling'.' Overeenkomsten zijn er ook. `Pesten is altijd verbonden met een onevenredige machtsbalans, waarin de gepeste aan het kortste eind trekt. Er bestaan sociale, psychologische en fysieke vormen van pesten en pestgedrag kent een zekere continuïteit,' legt Korte uit.

Uit de interviews blijkt verder dat het stereotype beeld van de slachtoffers nog steeds bestaat. `Vraag een leraar naar de eigenschappen van gepeste kinderen en je krijgt steevast de geijkte uiterlijke kenmerken: bril, beugel, gewicht, sproeten en kleding.' Onterecht volgens de drie studenten. `Stom toeval bepaalt of een leerling wordt gepest. Eén foute opmerking of één domme actie kan fataal zijn en een kind in de rol van gepeste drukken.'

Verder maakten de studenten een analyse van de werkwijze van treiteraars. Jongens en meisjes pesten verschillend, ontdekten ze. `Het directe plagen, zoals schelden, afpakken en vechten, doen jongens. Daarmee is de kous af. Meisjes zijn veel geniepiger. Ze verspreiden roddels, sluiten iemand buiten en de pestperiode is langer,' vertelt Korte.

Wat maakt een kind nou tot pestkop? `Met behulp van de literatuur hebben wij een soort profielschets gemaakt. Vaak hebben pestende kinderen autoritaire ouders of ontbreekt een oudermodel, voelen ze zich minder verbonden met school, vertonen ze symptomen van depressie en eetstoornissen en beginnen ze eerder met daten dan anderen,' somt Korte op. `En ze hebben vaak lange vrienden.' Ook gepeste kinderen hebben volgens de drie studenten veel gemeen. Agelink: `Ze voelen zich eenzaam, angstig, minder populair, hebben last van zelfmoordgedachten en brengen veel tijd alleen door.'

Hoewel pesten op elke school voor komt, zijn docenten er vaak niet van op de hoogte. De Vrijer: `Soms moeten leerlingen hun onderwijzer hier op wijzen. Daarom is het belangrijk dat scholen een protocol ontwikkelen om pestgedrag in de klas te herkennen en aan te pakken.' Volgens de studenten moeten ouders betrokken worden bij gesprekken over pesten en verdient het onderwerp een vaste plek op de agenda van schoolvergaderingen. `Daarnaast is het belangrijk dat de docent bemiddelt als er een vermoeden van pesten bestaat,' zegt Korte. Tot slot adviseert het drietal een evaluatie van de pestsituatie aan het eind van het schooljaar. `Dat werkt preventief, omdat de pestkop en het slachtoffer in het nieuwe schooljaar hoogstwaarschijnlijk een andere leerkracht hebben,' verklaart De Vrijer.

.pic pestgedrag.jpg Op de voorgrond Paul de Vrijer en Jojanneke Korte. Daarachter Maarten Agelink. (Foto Arjan Reef)

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.