Hij staat bekend als een wetenschapper die zijn weg uitstekend kent in het doolhof van de onderzoekssubsidies. En Ton de Jong, hoogleraar onderwijspsychologie, wil meteen één misverstand uit de weg ruimen: geld krijg je niet `op je blauwe ogen. Je moet er écht iets voor doen.'
In de eerste plaats betekent dat een goed voorstel schrijven. Dat lijkt logisch, maar het is toch een kunst die niet iedereen beheerst, weet De Jong, die zelf in `behoorlijk wat' review boards zit. `Het lijkt vreemd, maar er is altijd heel snel consensus over de te honoreren aanvragen en over de aanvragen die sowieso afgewezen worden. Het is als met een feestje. Je weet altijd vrij snel wie je wel en wie je niet uitnodigt. De beslissing over de tussencategorie duurt langer. De categorie “absoluut honoreren” is het kleinst.'
Betekent dat dat veel wetenschappers geen fatsoenlijke voorstellen kunnen schrijven?
De Jong lacht. `Misschien hebben ze wel geen goede ideeën!' Dan weer serieus. `Het is wel vaak warrig wat er ingediend wordt. Je moet ook een beetje lef hebben en keuzes maken. Jezelf niet in allerlei bochten wringen om dat ene goede idee er ook nog in te krijgen. Of om niet het risico te lopen om op bepaalde ideeën afgewezen te worden.'
Hoe het wel moet? De Jong peinst. `Het is te vergelijken met het schrijven van een sollicitatiebrief. Je wilt dat jouw brief gekozen wordt uit al die anderen. Daarvoor moet je je onderscheiden. Een voorstel moet kort, duidelijk, zakelijk én pakkend zijn. En dat kost veel tijd en moeite. Blaise Pascal begon ooit een brief met de woorden: ik schrijf je een lange brief, want ik heb geen tijd voor een korte. Zo is het.'
Suzanne Hulscher, nu hoogleraar waterbeheer, was voor het eerst bij een subsidieaanvraag betrokken in 1994. Die Britse gelden haalde ze met collega's binnen. Ze verdienden zelfs op dat onderzoek, omdat Hulscher, onervaren, de offerte in ponden gemaakt had. `We hadden daar door koersverschil veel geld op kunnen verliezen, maar het pakte uiteindelijk goed uit.' Hulscher hamert op duidelijkheid. `Vanaf het begin heb ik feedback gevraagd aan collega's. Is mijn voorstel helder? Veel aanvragen gaan mank op onduidelijkheid door de arrogantie van de aanvrager. Ik ben briljant, dus ze moeten het maar snappen.' Meestal, haast ze zich te zeggen, is de kwaliteit van de aanvragen heel hoog. `In het gros van de gevallen. Het zijn uiteindelijk piepkleine verschillen die bepalen wiens project gefinancierd wordt.'
De Jong is het daarmee eens. `Een voorstel moet dus iets hebben dat opvalt, dat de aandacht trekt. Het moet niet zo zijn dat je na twee pagina's nog steeds niet weet waar het over gaat. Je moet snel duidelijk maken wát je idee is en hoe je dat wilt uitwerken.' Hij wijst erop dat peers vaak werken onder hoge tijdsdruk. Hulscher herkent dat. `Ik heb zelfs een keer meegemaakt dat ik pas de dag vóór de beoordeling de voorstellen toegestuurd kreeg. Toen heb ik gezegd: dit kan niet. Maar, als ik niet aan de bel had getrokken, dan was het gewoon doorgegaan.'
Een van de factoren die het verschil kunnen maken, is het opbouwen, onderhouden en koesteren van een uitgebreid netwerk van collega-wetenschappers. Peter Apers, hoogleraar databases en wetenschappelijk directeur van het Centrum voor Telematica en Informatie Technologie (CTIT), noemt het zelfs een voorwaarde. `Je moet de juiste mensen kennen. Mensen die je kunnen voorzien van informatie, zodat je weet wat er speelt en waar peers op letten. Er zijn ontzettend veel bronnen met geld; voor de gemiddelde onderzoeker is dat bijna niet meer bij te benen. Formele regels zijn constant aan verandering onderhevig en je hebt een goede antenne nodig om de informele regels kennen.' Apers doelt bijvoorbeeld op de positie van Oost-Europese landen. `Nergens staat dat het je kansen vergroot wanneer Oost-Europese wetenschappers deel uitmaken van jouw consortium. Dat is iets wat je moet aanvoelen. Dat aanvoelen is een van de taken van de directie van, in dit geval, CTIT. Wanneer je als instituut onvoldoende feeling hebt met wat er gebeurt in de fundingwereld dan heb je een probleem.' De Jong beaamt dat. `Mensen en organisaties zoals de EG kennen is een basisvoorwaarde.'
Ook Hulscher onderkent het belang van een netwerk. Maar, stelt ze, ook het kennen van juryleden kan zo z'n voordelen hebben. Een Zweeds team onderzocht ooit welke factoren bijdragen aan het succes van een subsidievoorstel. `Uit dat onderzoek - volgens mij hebben de resultaten in Nature of in Science gestaan - bleek dat het kennen van mensen in de jury de grootste succesfactor was.'
Informele regels, mensen die je moet kennen. Dat klinkt niet echt transparant. Dat is het ook niet altijd, bevestigt Ton de Jong. `Soms wordt jouw aanvraag afgewezen op gronden waarvan je denkt: nou nou…' Ook Apers vindt dat niet alle instanties die aanvragen beoordelen, uitblinken in transparantie. Hij noemt in dit verband het Centraal Plan Bureau (CPB), dat regelmatig door de overheid als beoordelaar wordt ingeschakeld. `De beoordelingen van het CPB zijn vaak niet te begrijpen voor buitenstaanders. De ene keer is het oordeel: die club is al zo goed bezig, die heeft geen extra geld nodig. De andere keer zeggen ze het tegenovergestelde: die jongens zijn goed bezig, die moeten we steunen. In een open competitie verliezen doet pijn, maar is acceptabel. Dit niet.' Volgens Apers zijn de procedures bij de Nederlandse geldverstrekkers NWO en STW wel heel doorzichtig. `Europa doet z'n best, maar het is een hele kunst om open en duidelijk te zijn en dat wordt nog moeilijker naarmate de belangen groter worden. Het standpunt van zowel NWO als STW is: door peer reviewing krijg je uiteindelijk toch de beste selectie van onderzoek. En, zoals STW stelt, dát onderzoek dat het meeste bijdraagt aan innovatie.'
Hulscher heeft zowel bij FOM, ALW (onderdeel aard - en levenswetenschappen van NWO) als technologiestichting STW in beoordelingscommissies gezeten. `Ze richten het overal anders in. STW heeft de meest grondige procedure. De wetenschappelijke kwaliteit van de aanvraag maakt de ene helft uit van de beoordeling, de gebruikswaarde de andere. Referenten geven vervolgens anoniem hun mening op grond van lange vragenlijsten. Daar kun je, als indiener van het voorstel, weer op reageren. Ongeveer twintig aanvragen worden daarna, inclusief het commentaar van de referent en het weerwoord van de indiener, aan een lekenjury voorgelegd. Lekenjury betekent overigens in dit verband dat de jury uit niet-specialisten bestaat. Dat zijn bijvoorbeeld mensen uit het bedrijfsleven, of Tweede Kamerleden. Ze zijn wel vaak gepromoveerd. Die aanvragen worden individueel beoordeeld; de juryleden weten niet met wie ze in de jury zitten. Zij geven vervolgens cijfers en de voorstellen die gemiddeld het hoogst scoren worden gehonoreerd. Een heel uitgebreid en zwaar traject.' De stelling dat zo'n procedure een loterij is, geldt tot op zekere hoogte, meent Hulscher. `Je kansen worden groter naarmate je betere voorstellen indient, maar het beoordelen blijft mensenwerk.'
![]()
![]()
Suzanne Hulscher
![]()
Ton de Jong
![]()
Peter Apers