Vorsten hielden wel van een experiment

| Redactie

Er bestaat niet één wetenschappelijke stijl. In zijn lezing voor Studium Generale onderscheidde de Amsterdamse wetenschapshistoricus dr. Chunglin Kwa er afgelopen dinsdag in ieder geval zeven. Verreweg de meeste wetenschappers hanteerden, en hanteren, in hun leven één bepaalde stijl. Zij die het verschil maakten in de geschiedenis combineerden in hun levenslange zoektocht naar kennis en inzicht meerdere stijlen, ookal gaven ze dat lang niet altijd graag toe. Zoals de grote Isaac Newton.


In zijn betoog naar aanleiding van zijn boek De ontdekking van het weten, uit 2005, had Kwa een gelukkige hand van keuze. Hij ging in op het ontstaan van de experimentele stijl. Die manier van wetenschapsbeoefening vond hij goed passen op een plaats waar de technische universiteit Twente zijn oorsprong kende. Veel oud-medewerkers en medewerkers, en enkele studenten, hoorden Kwa vertellen dat het ontstaan van deze stijl rond het `scharnierpunt' 1600 te plaatsen is.

Kwa's manier van analyseren aan de hand van stijlen (`gestolde manieren van doen') levert nieuwe wetenschapshistorische vraagstellingen op en daardoor nieuwe inzichten. Het accepteren van het experiment als geldige route naar kennis, blijkt volgens Kwa geheel buiten de universiteiten om te zijn gelopen. Het waren Europese vorsten die zich op een bijzondere manier aangetrokken voelden tot zowel de `virtuozen' als de `alchemisten', de twee belangrijkste wegbereiders van het wetenschappelijke experiment.

Zij hadden de vorsten dan ook wat te bieden. Zo genoten in Italië de `vorstelijke ingenieurs' veel aanzien door hun ontwerp van stervormige verdedigingsmuren. Daardoor kon men weerstand bieden aan de manier waarop Franse troepen hun forten en steden wisten te attaqueren: zeer snel en zeer krachtig.

Kwa: `Deze raadgevers vormden een aparte sociale groep. Ze hadden geen universitaire graad maar voelden zich goed thuis in zowel de hoge als de lage wereld van de wiskunde. Ze hanteerden een experimenteel soort wiskundige stijl. Een man als Galileo kwam in dienst als hoffilosoof van de groothertog van Toscane. Die buitenuniversitaire titel gaf hem de status die nodig was om zijn experimentele stijl verder te brengen.'

Een ander slag van experimentatoren waren de alchemisten. Die hanteerden een tot de verbeelding sprekende magische stijl van experimenteren. Zij deinsden er niet voor terug om duivelen of engelen aan te roepen voor een goed verloop van hun gevaarlijke (voor-)wetenschappelijke arbeid.

In hun hang naar exclusieve verzameldrift boden de vorsten deze alchemisten een vaste plek om hun soms duistere praktijken uit te voeren. `De Engelsman Francis Bacon geloofde in hun manier van werken maar had een hekel aan de geheimzinnigheid waarmee ze hun werk, begrijpelijkerwijs, omringden', legt Kwa uit. `Bacon verslond al hun geschriften. Hij zag in hun manier van werken een mogelijkheid om het verloren gegane paradijs op aarde weer te herstellen, een mogelijkheid waaraan in brede kring geloof werd gehecht. Als rechtsgeleerde voegde hij een beslissend element aan het experiment toe. De natuur moest systematisch ondervraagd worden; in een situatie gebracht waarin ze haar ware antwoord wel prijs moest geven.'

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.