Ingezonden: Wordt het vooruit of achteruit?

| Redactie

Anne Flierman heeft recent verklaard dat de UT haar identiteit dient aan te scherpen. Volgens de voorzitter van het college van bestuur moeten we terugkeren naar een heldere focus op technologie als motor van de universiteit `met de gedrags- en maatschappijwetenschappen als onmisbare schakels' (UT-Nieuws, 10 januari 2008). Naar ons idee kan deze verklaring op twee manieren worden geïnterpreteerd: als een strategische aftocht naar oude, onhoudbare stellingen, of als een moedige doorstoot op weg naar terreinwinst.

Diverse collega's hebben reeds hun zorg geuit over de nostalgie naar achterhaalde noties van technologische ontwikkeling die zij in Flierman's positie meenden te ontwaren. Die noties gingen ervan uit dat wetenschap en technologie zich eerst in isolatie ontwikkelen, vrij van al te veel inhoudelijke beïnvloeding door `externe' sociale en economische krachten. Vervolgens kunnen de beste innovaties zich dan verspreiden om in de maatschappij problemen te gaan oplossen. Volgens deze opvatting is er wel een rol voor `softe' maatschappij- en gedragswetenschappen, maar die is beperkt tot ondersteuning bij het overbrengen van technologie naar de samenleving en het bedrijfsleven. De `softe' wetenschappen bestuderen hoe je technology transfer moet opzetten, hoe je inventiviteit het best kan organiseren, of hoe je de investering in inventiviteit het best aanpakt, ten dienste van het `echte' werk.

Dit model van technologische ontwikkeling is inmiddels door uitgebreid onderzoek verwezen naar het rariteitenkabinet, niet in het minst door internationale toponderzoekers aan de UT zelf. We moeten hard zoeken naar technologieën die aan dit model voldoen en als we dan goed kijken vinden we vaak alsnog complexe patronen van wederzijdse interactie tussen sociale en technische ontwikkelingen. Technologie is eigenlijk nooit eerst hard en objectief en dan pas sociaal en vermaatschappelijkt, maar altijd van begin af aan al mensenwerk. In één woord: technologische ontwikkeling is altijd een socio-technische ontwikkeling. Afwegingen van zinvolheid van onderzoek, de herkenning van het belang van een innovatie, de wensbaarheid, de haalbaarheid, of de aanvaardbaarheid van een technologie, ja zelfs wat moet worden begrepen onder een technologie die `werkt', zijn allemaal afwegingen waarin economische, maatschappelijke, psychologische, beleidsmatige, of ethische overwegingen van begin af aan al een rol spelen.

Meer nog, alleen als die overwegingen in het innovatieproces worden ingevlochten, kunnen leefbare innovaties worden geproduceerd. Zo hebben we uit het fiasco van de biotechnologie geleerd dat het niet slim is om eerst biotechnologie uit te ontwikkelen en je pas later eens zorgen te gaan maken over risicos, maatschappelijke aanvaarding, of bezwaren waar je in het laboratorium nog niet zo mee bezig was. Dergelijke lessen proberen we nu toe te passen op de ontwikkeling van nano-technologie, waarbij de UT uitgebreid en vooraanstaand maatschappij-wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van nano-technologie herbergt.

Omgekeerd speelt technologie ook een steeds grotere rol in allerlei maatschappelijke en culturele activiteiten. Denk maar aan de ontwikkelingen in de communicatie-sector, waar mensen sms-en, chatten, mailen, wiki's maken, beelden delen, spelen, kunst creëren - activiteiten die op hun beurt weer nieuwe wensen voor technologie genereren. Of denk aan de constante interactie tussen cultuur en technologie, hoe Computer Generated Imagery de uitingsvormen van de filmindustrie verandert, of hoe gaming een drijvende kracht vormt achter steeds snellere PC's en als inspiratiebron voor een hele nieuwe generatie films.

Tot slot kunnen we ook medische technologie als voorbeeld noemen. Heel wat innovaties in de zorg zijn mislukt door het onvermogen om technische en maatschappelijke kennis op elkaar af te stemmen. Zo is een voortvarend invoeren van elektronische medische dossiers jaren lang stuk gelopen op het onbegrip van medische professionals voor technische mogelijkheden en beperkingen enerzijds, en op het onvermogen van informatiseerders om de professionele medische praktijk te doorgronden anderzijds. Succesvolle synergie tussen elektronische medische informatie en klinische praktijken blijkt nu juist tot stand te komen als beide tegelijk worden aangepakt!

In een hoogtechnologische samenleving liggen de strategische kansen voor zowel maatschappij- als gedragswetenschappen in wederzijdse interactie. Het leuke is dat, naar onze ervaring, onze studenten dat prima lijken te zien. Studenten weten donders goed waarom ze civiele techniek studeren aan de UT, met een sterk sociaal-wetenschappelijke component, en niet in Delft, waar het vooral draait om de spankracht van beton. Het feit dat er inmiddels meer studenten in de maatschappij- en gedragswetenschappen zijn aan de UT dan in de technische faculteiten, suggereert dat het huidige profiel in ieder geval ook die studenten aanspreekt.

De keuze is daarmee helder. We kunnen inderdaad terug naar een nauwe focus op technologie, met de maatschappij- en gedragswetenschappen als onderdanig toeleveringsbedrijf. De UT wordt dan weinig aantrekkelijk voor topwetenschappers in die vakgebieden, die niets meer dan wat gastcolleges hoeven te verzorgen over goede presentatietechnieken en het schrijven van een helder persbericht.

Of we zetten door en investeren in de maatschappij- en gedragswetenschappen, omdat ze `onmisbaar' zijn zowel voor het opleiden van geëngageerde professionals en het proces van innoveren, als voor de interactie met de bredere samenleving. Dat is, simpelweg, de beste manier om robuust opgeleide professionals af te leveren - professionals die ook maatschappelijk en sociaal kunnen functioneren, in plaats van specialistische technici die niet verder kunnen kijken dan hun formule lang is; professionals met gevoel voor de bredere omgeving waarin innovaties straks wortel moeten schieten en die dat gevoel willen leren van de best beschikbare academici, niet van de dorpsonderwijzer.

Alleen dat soort professionals integreert beleidsmakers, onderzoeksfondsen, het bedrijfsleven en het bredere publiek in het innovatieproces. Alleen met dat soort productieve gesprekken kan in Nederland een succesvolle kenniseconomie ontstaan. Wat wordt het: vooruit, of achteruit?

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.