| Promovendus Adam Handelzalts. Foto: Gijs van Ouwerkerk. |
De eerstejaars studenten EDMM (wat vroeger onderwijskunde heette) kunnen voor hun vak curriculumtheorie de beleidsanalyse (het eerste deel uit het nu al roemruchte rapport Dijsselbloem) als studiestof tegemoet zien. Volgens Handelzalts laat het treffend zien hoe redelijke basisideeën jaren later op verwrongen wijze hun neerslag vinden in de praktijk.
Bij de basisvorming werd in discussies tussen belangengroepen compromis op compromis gestapeld, vindt hij. `Zo ging niet alleen de kern van de inhoud verloren, maar werd ook het draagvlak voor een succesvolle invoering verspeeld. De laatste twintig jaar zijn in de politiek grove fouten gemaakt.'
Wat is je meest belangrijke bevinding?
`Los van de gebleken kwaliteit van alle vernieuwingen, geldt vooral dat het er veel te veel waren in korte tijd, en ook nog eens dat ze stuk voor stuk ingrijpend waren. Dat kan het systeem niet aan. Onderwijsvernieuwing is een complex proces: het eerste idee, het vertalen van algemeen naar specifiek, het implementeren in de praktijk en daar weer van leren en aanpassen. De invoering van een beetje onderwijsvernieuwing kost zo'n tien jaar. Dat schrijft de bekende onderwijskundige Michael Fullan -een adviseur van het ministerie van onderwijs- in zijn boek The New Meaning of Educational Change.'
Dijsselbloem zegt dat het onderwijs in Nederland in een neerwaartse spiraal zit.
`Dat oordeel vind ik niet het sterkste punt van het rapport. Ze beschrijven tegenstrijdige signalen over de kwaliteit van het onderwijs en kiezen zonder voldoende argumentatie voor de negatieve signalen. Wil je de kwaliteit beoordelen dan moet dat gebeuren met veel gevoel voor mitsen en maren.'
De rapportschrijvers hadden zich volgens Handelzalts meer bewust mogen zijn van de functie die ze als politieke commissie hebben. `Nu kan iedereen vrij gemakkelijk dat soort algemene conclusies pakken en elke vervolgvernieuwing ermee neerslaan. Dit beleidsveld is daar gevoelig voor. Onderwijs ligt de mensen na aan het hart. Iedereen is ervaringsdeskundige en heeft er wel een mening over.'
Kan je een voorbeeld geven van een te snel oordeel?
`De lagere scores in de eindexamens in vergelijking met de schoolexamens. Daaruit mag je niet zomaar concluderen dat het overall niveau is gedaald. Het kan ook anders verklaard worden. Namelijk dat de schoolexamens blijkbaar dichter aanliggen bij de vernieuwingen die gevraagd zijn van de scholen, terwijl de eindexamens zich richten op de kennisdoelen. Een ander voorbeeld is het selectief gebruik van internationaal vergelijkende studies.'
Een quick scan via LexisNexis leert dat in een week tijd 69 verhalen in toonaangevende dagbladen het licht zagen over het rapport Dijsselbloem. Zeker vijftig zijn opiniërend, heeft Handelzalts uitgevist. Hij probeert zich als onderwijskundige aan de waan van de dag te onttrekken waarin iedereen voor eigen parochie predikt.
Handelzalts: `Wetenschappers hebben niet zo snel een vlotte, simpele mening klaarliggen. Goede verklaringen liggen vaak in de nuance. Dat is moeilijk in de media waar men zich vaak richt op mooie oneliners.'
Hebben onderwijskundigen dan wel een rol in deze discussie?
`Wij mogen best eens onze verantwoordelijkheid nemen en ons actiever in het publieke debat mengen. Het is dan de kunst de nadruk te leggen op wetenschappelijke inzichten en niet teveel in te gaan op politieke en populaire argumentaties.'
Toch is dat in de praktijk best lastig, weet hij. `Als wetenschapper word je daar niet echt voor beloond. Onderzoek doen, publiceren in vaktijdschriften, onderwijs verzorgen, dat blijven onze hoofdtaken. Daar kun je behoorlijk druk mee zijn.'
Wat kan de onderwijskunde inbrengen in de vernieuwingen?
`We weten veel over hoe mensen leren op specifieke gebieden. Onze kennis kan in de praktijk beter benut worden, bijvoorbeeld door een betere uitwisseling tussen onderwijskundigen en docenten in het middelbare onderwijs, op de werkvloer. De docenten moeten naar mijn mening sowieso veel meer worden ingezet bij onderwijsvernieuwingen. Ze moeten als medeontwerpers van een vernieuwing worden gezien, niet als factoren die de implementatie wel of niet bevorderen.'
Daar richt jouw onderzoek zich ook op?
'Ja, ik onderzoek hoe docenten samen nieuwe curricula ontwikkelen binnen scholen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Daar hebben scholen en docenten tegenwoordig redelijk veel ruimte om zelf hun onderwijs vorm te geven binnen afspraken van wat “moet” en wat “mag”.'
Werken de docenten graag mee?
`Waar ik ook kom, docenten hebben allemaal passie voor hun vak en voor hun leerlingen. Ze willen werken aan vernieuwingen als ze ruimte krijgen voor het realiseren van hun ideeën. Als we in Nederland erin slagen die passie aan te spreken dan zijn we een beslissende stap verder. Het is mogelijk - en volgens mij nodig ook - dat een deel van de curriculum-ontwikkeling bij de docenten zelf komt. En wel zodanig dat scholen en docenten enerzijds handvatten voor het ontwikkelen krijgen, en anderzijds de kans om vernieuwing in te passen in hun dagelijkse praktijk.'
Dat betekent volgens Handelzalts dat docenten samen met hun collega's de tijd moeten krijgen om daar in teamverband aan te werken. `Daar moeten dus uren voor vrijkomen.'