Jan van Weers (73) is al zo'n 35 jaar voorzitter van de Biologische Tuinvereniging van de UT. Hij trekt er graag met schoffel en hark op uit om een paar uurtjes in de grond te wroeten.
`Het is de rust, die je van het werken in de natuur krijgt. Niets anders horen dan het fluiten van de vogels om je heen, dat maakt tuinieren zo mooi. Als kind werkte ik al graag in de tuin. Ik leerde het van mijn vader. Toen had het nog een functie: in de oorlog had je immers gewoon eten nodig. Eenmaal werkzaam op de UT zag ik dat studenten bezig waren met de aanleg van een paar tuintjes. Dat leek mij ook wel wat. Uiteindelijk werd ik in 1972 voorzitter van de Biologische Tuinvereniging en ben het tot op de dag van vandaag blijven doen. Dat, ondanks het feit dat ik al een tijdje gepensioneerd ben. Wil je de tuin goed onderhouden, dan moet je in het voorjaar en de zomer minimaal twee keer per week aan de slag. Omspitten, zaaien, oogsten, onkruid wieden, het is een hele klus. Ik heb al sperziebonen, wortels, uien, tuinbonen, spinazie, sla, augurken, boerenkool en prei verbouwd. Prei is het lekkerst in een preitaart, maar boerenkool vind ik ook heerlijk. En ik maak graag een paar potten piccalilly van mijn eigen groentes. Sla is het lastigst om zelf te verbouwen, omdat het te afhankelijk is van de weersomstandigheden. Bij warm weer schiet de sla door en wordt de smaak bitter. Alles wat ik aan groente overhou, gaat de diepvries in. En soms geef ik wat weg, dat maakt het tuinieren extra leuk.'